Zoeken
  1. Discotheek aansprakelijk na val in trapgat?

Discotheek aansprakelijk na val in trapgat?

Een bezoekster (benadeelde) van een discotheek loopt ernstig letsel op wanneer zij – na het gebruik van alcohol – op het muurtje naast de discotheek gaat zitten en in het daarnaast liggende trapgat valt. Ten tijde van het ongeval is bezoekster 16 jaar oud. De discotheek en haar aansprakelijkheidsverzekeraar worden op grond van de artikelen 6:174 en 6:162 BW aansprakelijk gesteld.
Auteur artikelLetske Hofstra (uit dienst)
Gepubliceerd24 juli 2018
Laatst gewijzigd24 juli 2018
Leestijd 

Feiten & omstandigheden

Op 30 maart 2012 bezoekt benadeelde met haar vriendinnen de plaatselijke jeugddisco. Als haar de toegang tot de discotheek wordt geweigerd, gaat zij op een laag stenen muurtje zitten dat is aangelegd naast een trapgat van 3 tot 4 meter diep. Het is de nooduitgang van de discotheek. Op enig moment valt benadeelde in het trapgat waardoor zij ernstig letsel oploopt. In het ziekenhuis wordt tevens een alcoholintoxicatie vastgesteld.

De advocaat van benadeelde stelt de discotheek (en haar aansprakelijkheidsverzekeraar) aansprakelijk op grond van de artikelen 6:174 en 6:162 BW. De onderneming die de exploitatie van de discotheek verzorgde is inmiddels failliet. Als aansprakelijkheid wordt afgewezen, start benadeelde een deelgeschilprocedure (op grond van artikel 1019w Rv) tegen de verzekeraar. Tot welk oordeel komt rechtbank Amsterdam?


De beoordeling

Gebrekkige opstal?

In geschil is allereerst de vraag of sprake is van een gebrekkig muurtje (opstal) in de zin van artikel 6:174 BW. Benadeelde meent dat dit het geval is aangezien er – zo stelt zij - verlichting ontbrak en het trapgat slechts door een laag stenen muurtje werd afgeschermd. Het trapgat zou hierdoor snel over het hoofd worden gezien.

De rechtbank moet de eventuele opstalaansprakelijkheid beoordelen aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in het bekende Wilnis-arrest (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155). De Kelderluikcriteria worden hierbij als toetsingscriteria gehanteerd (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079). Over dit onderwerp schreef ik eerder al een aantal blogs.
 
De rechtbank stelt voorop dat de constructie van het muurtje deugdelijk is. Dit betekent echter niet dat de opstal ook direct als deugdelijk kan worden gekwalificeerd. De opstal moet namelijk ook gelet op het te verwachten gebruik en ter voorkoming van gevaar deugdelijk zijn. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het trapgat zich bevindt op het terrein van de discotheek en bovendien om de hoek van de ingang. Het is een feit van algemene bekendheid dat personen die onder invloed van alcohol verkeren minder oplettend zijn en dat bezoekers van discotheken ook buiten rondhangen. De rechtbank benadrukt dat om die reden dat van het muurtje een hoog veiligheidsniveau verwacht mag worden.

De rechtbank vervolgt:

Hieruit volgt dat van de (uitbater van de) discotheek mag worden verwacht dat het trapgat wordt afgeschermd.

Dit is echter ook gebeurd, door het plaatsen van de muurtjes. De vraag is dan vervolgens of dit een afdoende veiligheidsmaatregel betreft. De rechtbank concludeert dat het muurtje in ieder geval voorkomt dat een niet heel oplettend persoon het trapgat inloopt. Van een situatie waarbij een bezoeker het muurtje niet in de gaten had en erover valt (zoals bijvoorbeeld het geval was in het door [verzoekster] aangehaalde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1182), om vervolgens het trapgat in te vallen is niet gebleken. Dit is ook niet wat [verzoekster] is overkomen. Zij heeft expliciet aangegeven het muurtje wel te hebben gezien: ze is er immers op gaan zitten. De vraag is vervolgens of de ondeugdelijkheid volgt uit het feit dat je op het muurtje kunt gaan zitten of staan en dan het trapgat onvoldoende waarneemt waardoor je er invalt. Uit de vastgestelde feiten kan niet worden afgeleid dat dit in enigerlei mate waarschijnlijk is. Er is sprake van een muurtje dat per definitie een afscheidende functie heeft, en daarmee ook een waarschuwend effect. Ook een minder oplettend persoon zal bij het gaan zitten op een muurtje dus al begrijpen dat met dat muurtje iets wordt afgescheiden. Verder is het moeilijk voorstelbaar, ook vanuit het gezichtspunt van een onoplettende bezoeker van de discotheek, dat iemand die direct naast het trapgat heeft plaatsgenomen het trapgat niet zou kunnen zien.

Kortom, de discotheek heeft geen gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Het muurtje kan niet gekwalificeerd worden als een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW.

Onrechtmatige daad?

Benadeelde stelt de discotheek subsidiair aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW. De discotheek zou de op haar rustende bijzondere zorgplicht geschonden hebben door niet te zorgen voor zitplaatsen buiten de discotheek, zogenaamde rustruimtes. Het bestaan van een dergelijke verplichting is door de (verzekeraar van de) discotheek betwist. Benadeelde heeft vervolgens niet uiteengezet waar deze norm uit kan worden afgeleid.

De discotheek had volgens benadeelde bovendien geen (minderjarige) bezoekers mogen weigeren zonder begeleiding naar huis. De rechtbank oordeelt dat het bestaan van een dergelijke zorgplicht niet is komen vast te staan.

De rechtbank wijst het verzoek van benadeelde af.