De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Een na-u-clausule in de polisvoorwaarden kan als kernbeding worden aangemerkt

Een na-u-clausule in de polisvoorwaarden kan als kernbeding worden aangemerkt

Een bepaling in de polisvoorwaarden kan gekwalificeerd worden als algemene voorwaarde of als kernbeding. Uit een onlangs gepubliceerd arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 januari 2021 blijkt dat een na-u-clausule in de polisvoorwaarden als kernbeding kwalificeert. In de praktijk is het van groot belang om het onderscheid te begrijpen tussen enerzijds een algemene voorwaarde en anderzijds een kernbeding.
Leestijd 
Auteur artikel Tommy-Lisa O’Brien
Gepubliceerd 15 april 2021
Laatst gewijzigd 15 april 2021
 

Zoals in een eerdere blog van 16 juni 2020 reeds is opgemerkt, kwalificeert een bepaling die in de polisvoorwaarden staat niet altijd als algemene voorwaarde. Andersom geldt ook dat een bepaling die op het polisblad vermeld staat in sommige gevallen juist wél als algemene voorwaarde kan worden aangemerkt. Kortom: de plaats van een bepaling is niet relevant voor de vraag of een bepaling als algemene voorwaarde kwalificeert.

Wat maakt dan het onderscheid tussen een algemene voorwaarde en een kernbeding? Algemene voorwaarden zijn bedingen die zijn opgesteld om in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen (art. 6:231 sub a BW), terwijl van een kernbeding alleen sprake is als het beding de essentialia van de overeenkomst omvat (HR 19 september 1997, NJ 1998/6). Een kernbeding kan niet tevens een algemene voorwaarde zijn. Het één sluit het ander dus uit.

Als een bepaling als algemene voorwaarde kwalificeert dan heeft dit tot gevolg dat afdeling 6.5.3 daarop van toepassing is. Deze afdeling regelt onder andere hoe algemene voorwaarden van toepassing kunnen worden verklaard en ter hand kunnen worden gesteld. Algemene voorwaarden kunnen daarnaast ook vernietigd worden op grond van art. 6:233 BW. Op een kernbeding zijn deze regelingen uit afdeling 6.5.3 echter niet van toepassing.

Bij een kernbeding dient– anders dan bij een algemene voorwaarde – te worden beoordeeld of er wilsovereenstemming bestond tussen partijen en of er is voldaan aan het transparantievereiste: is het kernbeding voldoende duidelijk en begrijpelijk geformuleerd? Deze stappen worden ook gevolgd door het gerechtshof Amsterdam in onderstaand arrest.

Relevante feiten en omstandigheden
Appellant heeft een verkeersongeval gehad en stelt dat zijn verzekeraar gehouden is tot dekking onder de SVI (schadeverzekering inzittenden) voor de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand. Verzekeraar verweert zich hiertegen met het standpunt dat geen beroep kan worden gedaan op de SVI, omdat appellant ook een rechtsbijstandsverzekering heeft die de kosten van rechtsbijstand vergoedt en in de polisvoorwaarden van de SVI de volgende na-u-clausule is opgenomen:

“Als de verzekerde geheel of gedeeltelijk recht heeft op vergoeding krachtens een andere verzekering of op uitkeringen of verstrekkingen uit anderen hoofde, kan voor dat deel geen beroep worden gedaan op deze verzekering.”

In deze uitspraak staat de vraag centraal of bovenstaande na-u-clausule als kernbeding kan worden aangemerkt. Deze vraag lag voor aan het gerechtshof Amsterdam na het tussenarrest van 19 november 2019 doordat appellant zich op het standpunt stelde dat de na-u-clausule een oneerlijk beding zou zijn in de zin van Richtlijn 93/13, respectievelijk art. 6:233 sub a BW.

Oordeel gerechtshof Amsterdam
Volgens het hof Amsterdam is de na-u-clausule een beding dat de kern van de prestaties, waartoe de verzekeraar op grond van de SVI gehouden is, (mede) bepaalt. In het beding wordt namelijk het eigenlijke voorwerp van de verzekeringsovereenkomst beschreven in die zin dat de na-u-clausule het verzekerde risico en de verbintenis van de verzekeraar duidelijk afbakent. Voorts is door appellant onvoldoende gemotiveerd betwist dat de beperking die de na-u-clausule meebrengt in aanmerking is genomen bij de premieberekening door de verzekeraar. Om bovengenoemde redenen kwalificeert de na-u-clausule naar het oordeel van het hof als een kernbeding.

Indien sprake is van een kernbeding moet ook voldaan worden aan het transparantievereiste. Dit houdt in dat het beding grammaticaal begrijpelijk dient te zijn voor de consument en de consument in staat moet zijn om te beoordelen welke economische gevolgen uit het beding voortvloeien. In het onderhavige geval is aan deze vereisten voldaan. Op basis van de na-u-clausule kan de gemiddelde consument immers de economische gevolgen overzien die uit het beding volgen, namelijk dat er géén aanspraak op uitkering onder de SVI bestaat voor zover dekking bestaat uit hoofde van een andere verzekering. Bovendien wijkt de tekst van de na-u-clausule niet wezenlijk af van hetgeen in de praktijk gebruikelijk is.

Tenslotte komt het hof toe aan de vraag toe of er wilsovereenstemming bestaat over de inhoud van het beding. Alhoewel over het beding tussen partijen niet afzonderlijk is onderhandeld, blijkt volgens het hof uit de houding van partijen in de procedure dat er wilsovereenstemming bestaat.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de na-u-clausule in dit geval als een kernbeding kwalificeert en daarom in de onderlinge verhouding tussen partijen niet kan worden aangemerkt als algemene voorwaarde in de zin van art. 6:231 sub a BW.

Ten overvloede gaat het hof nog in op de vraag of sprake is van een oneerlijk of onredelijk bezwarend beding. Deze vraag is eigenlijk niet relevant als sprake is van een kernbeding, omdat afdeling 6.5.3 in dat geval niet van toepassing is. Toch overweegt het hof dat de na-u-clausule niet oneerlijk of onredelijk bezwarend is waardoor – weggedacht dat sprake is van een (transparant) kernbeding – ook daarom voor vernietiging van de na-u-clausule geen grond bestaat.

Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat een na-u-clausule in dit geval als kernbeding kan worden gekwalificeerd. Dit heeft tot gevolg dat afdeling 6.5.3 niet van toepassing is en door de rechter beoordeeld dient te worden of er sprake is van wilsovereenstemming tussen partijen en of er voldaan is aan het transparantievereiste. Voor verzekeraars is het dus van groot belang om achteraf aan te kunnen tonen dat er tussen partijen wilsovereenstemming bestond over een na-u-clausule in de polisvoorwaarden.