Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Geen billijkheidscorrectie bij proportionele aansprakelijkheid

Geen billijkheidscorrectie bij proportionele aansprakelijkheid

Op 14 december 2012 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin is geoordeeld dat bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid geen ruimte bestaat om, nadat de rechter de kans dat de normschending de schade heeft kunnen veroorzaken in percentage heeft uitgedrukt, daarop nog een billijkheidscorrectie toe te passen. Wel kan artikel 6:101 lid 1 BW aanleiding kan geven tot vermindering van de vergoedingsplicht als bedoeld in dat artikellid.In 1992 is een passagier van een auto een ongeval...
Auteur artikelSanne Rutten (uit dienst)
Gepubliceerd04 maart 2013
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Op 14 december 2012 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin is geoordeeld dat bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid geen ruimte bestaat om, nadat de rechter de kans dat de normschending de schade heeft kunnen veroorzaken in percentage heeft uitgedrukt, daarop nog een billijkheidscorrectie toe te passen. Wel kan artikel 6:101 lid 1 BW aanleiding kan geven tot vermindering van de vergoedingsplicht als bedoeld in dat artikellid.

In 1992 is een passagier van een auto een ongeval overkomen, waarvoor een verzekerde van Nationale Nederlanden (die ten onrechte geen voorrang verleende) aansprakelijk is. De passagier was dertig weken zwanger ten tijde van het ongeval. Enige maanden na de geboorte van het kind is een hersenbeschadiging geconstateerd, die is gediagnosticeerd als (periventriculaire leucomalacie (hierna: ‘PVL’). Bij het kind is sprake van blijvend letsel in de vorm van een centrale spastische parese.

Uit verscheidene deskundigenonderzoeken zijn een drietal oorzaken aan te wijzen, zonder dat met voldoende zekerheid was vast te stellen in welke mate de schade door deze gebeurtenissen dan wel één daarvan is ontstaan.

De rechtbank heeft vanwege dit onzekere causaal verband voor een proportionele benadering gekozen en de kans dat de hersenbeschadiging is toe te rekenen aan de prenatale PVL ten gevolge van het ongeval vastgesteld op 50%. Nationale Nederlanden is vervolgens ook veroordeeld tot betaling van 50% van de schade.

Het gerechtshof verwerpt het betoog van Nationale Nederlanden dat voor toepassing van de omkeringsregel vereist is dat het beschermingsbereik van de overtredende verkeersnorm ook de tweede mogelijke oorzaak (postnatale problemen) omvat. Zou dat al anders zijn, dan zou Nationale Nederlanden bovendien tegenbewijs mogen leveren. Nu Nationale Nederlanden in deze met de deskundigenrapporten voldoende twijfel heeft gezaaid over het uit de omkeringsregel voortvloeiende vermoeden, komt daarbij het bewijs gewoon weer bij de passagier en haar kind te liggen. Het gerechtshof heeft zich bij de rechtbank aangesloten dat in dit geval een proportionele benadering aangewezen is, waarbij de kans dat het verkeersongeluk de schade heeft veroorzaakt wederom op 50% is geschat.

Het hof heeft vervolgens - anders dan de rechtbank - een nadere correctie toegepast op voornoemd percentage van 50%. Ter onderbouwing van dit billijkheidsoordeel wees het hof met name op het feit dat aansprakelijkheid berust op schending van een verkeersnorm, dat sprake is van een WAM-verzekering, het letsel ernstig is te noemen en het ten slotte een ongeboren kind betreft dat het gevolg van de aandoening dagelijks ondervindt. Volgens het hof dient Nationale Nederlanden uiteindelijk op te komen voor 60% van de schade.

In cassatie wordt in het principale beroep opgekomen tegen dit laatste oordeel. De Hoge Raad gaat daarin mee en stelt dat bij toepassing van de proportionele aansprakelijkheid geen ruimte bestaat om, nadat de rechter de kans heeft vastgesteld dat de normschending de schade heeft veroorzaakt, daarop nog een billijkheidscorrectie toe te passen, al dan niet naar analogie van artikel 6:101 BW. Zou dit anders zijn, dan zou dit namelijk verder gaan dan door de regel van de proportionele aansprakelijkheid wordt gerechtvaardigd en op gespannen voet staan met de in het arrest Fortis/B (HR 24 december 2010, LJN BO1799) bedoelde terughoudendheid.

Ten slotte licht de Hoge Raad nog toe dat onder specifieke omstandigheden artikel 6:101 BW wel aanleiding kan geven tot een vermindering van de op basis van de proportionele aansprakelijkheid vastgestelde vergoedingsplicht. Het voorbeeld dat gegeven wordt betreft de situatie dat iemand enige tijd na een verkeersongeval ziek wordt, waarbij de kans dat de ziekte door het ongeval komt op 40% wordt gesteld. Het ongeval is echter mede veroorzaakt door een verkeersfout van het slachtoffer, waardoor de vergoedingsplicht naar beneden wordt bijgesteld. Het omgekeerde kan echter niet. De billijkheidscorrectie kan er nooit toe leiden dat meer dan 40% van de schade moet worden vergoed. Het incidentele beroep wordt ten slotte zonder veel motivering verworpen.