Zoeken
  1. Herkomst voordeel is voor voordeelstoerekening ex art. 6:100 BW niet relevant

Herkomst voordeel is voor voordeelstoerekening ex art. 6:100 BW niet relevant

Een schadevergoedingsverplichting mag ex art. 6:100 BW worden verminderd met een opgekomen voordeel als is voldaan aan twee vereisten, zoals geformuleerd in het arrest ABB/TenneT. Van wie het voordeel is verkregen, is niet relevant.
Artikel | 09 juli 2018 | Annet van Duijn

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2016 inzake ABB/TenneT, waarover mijn collega Sjaak van der Heul en ik drie blogs (1, 2 en 3) hebben geschreven, zijn de (enige) twee eisen die aan een beroep op voordeelstoerekening ex art. 6:100 BW mogen worden gesteld:

  1. Tussen de normschending en de gestelde voordelen dient een condicio sine qua non-verband te bestaan, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen;
  2. Met inachtneming van de in art. 6:98 BW besloten maatstaf dient het redelijk te zijn dat die voordelen in rekening worden gebracht.

In een arrest van 29 juni 2018 heeft de Hoge Raad een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 maart 2017 vernietigd, omdat daarin een extra vereiste leek te zijn geïntroduceerd, namelijk aangaande de herkomst van het opgekomen voordeel.
Waar ging het om?

Feiten en procedure in eerste aanleg en hoger beroep

De eigenaar van een horecapand heeft eerst een koopovereenkomst gesloten met de oorspronkelijke kopers, maar het pand in tweede instantie verkocht en geleverd aan een tweede geïnteresseerde.
Vast komt te staan dat sprake is van wanprestatie van de eigenaar van het horecapand jegens de oorspronkelijke kopers, waardoor die een contractuele boete van EUR 90.000,-- verschuldigd was.
Voorts komt vast te staan dat de tweede geïnteresseerde onrechtmatig heeft gehandeld jegens de oorspronkelijke kopers omdat hij, wetende van de eerste verkoop, van de wanprestatie van de eigenaar van het horecapand heeft geprofiteerd.
Op basis van een afspraak tussen de eigenaar van het horecapand en de tweede geïnteresseerde is de contractuele boete die de eigenaar van het horecapand aan de oorspronkelijke kopers verschuldigd was en heeft betaald, vervolgens door de tweede geïnteresseerde aan de eigenaar van het horecapand vergoed.
De tweede geïnteresseerde die de schade van de oorspronkelijke kopers diende te vergoeden, heeft een beroep gedaan op voordeelstoerekening ex art. 6:100 BW ter zake van die contractuele boete, omdat die zonder de normschending niet aan de oorspronkelijke kopers verschuldigd zou zijn geweest.

Het Hof oordeelde dat er geen rechtsgrond voor voordeelstoerekening bestond, omdat de tweede geïnteresseerde het voordeel (de contractuele boete) niet aan de oorspronkelijke kopers verschuldigd was, maar aan de eigenaar van het horecapand.
Van voordeel voor de twee kopers was volgens het Hof geen sprake.

Cassatie

De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het Hof niet in stand kan blijven. Als het Hof zou hebben geoordeeld dat de verkrijging van de contractuele boete geen voordeel kan opleveren omdat de oorspronkelijke kopers deze niet van de tweede geïnteresseerde, maar van de eigenaar van het horecapand hebben gekregen, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook van derden ontvangen voordelen komen immers, als voldaan is aan de vereisten uit ABB/TenneT, voor toerekening in aanmerking, aldus de Hoge Raad.
Als het Hof de betaling van de contractuele boete op een andere grond niet als een voor toerekening in aanmerking komend voordeel heeft beschouwd, behoefde dat oordeel volgens de Hoge Raad nadere motivering.

De A-G stelde in haar conclusie vóór het arrest (zie onder 2.21) kort en goed: voor de kwalificatie als ‘voordeel’ is niet van belang van wie het voordeel is verkregen.

Na verwijzing zal het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden moeten beoordelen of er condicio sine qua non-verband bestaat tussen de normschending en het verbeuren van de contractuele boete en zo ja, of het redelijk is om dat voordeel in rekening te brengen bij de vaststelling van de te vergoeden schade.