De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Hof Den Haag: de Staat als wegbeheerder aansprakelijk na val van Hagesteinsebrug

Hof Den Haag: de Staat als wegbeheerder aansprakelijk na val van Hagesteinsebrug

Het Gerechtshof Den Haag heeft recent geoordeeld dat de Staat als wegbeheerder aansprakelijk is voor de schade van de nabestaanden van een weggebruiker die om het leven is gekomen na een val tussen twee gedeeltes van de Hagesteinsebrug tussen Vianen en Nieuwegein, terwijl hij een vrachtwagenchauffeur die tegen de middenvangrail van de brug was gebotst, te hulp wilde schieten.
Auteur artikel Pepijn van Campen
Gepubliceerd 12 november 2020
Laatst gewijzigd 13 november 2020
Leestijd 

Achtergrond  

In deze zaak vond op 25 november 2005 op de Hagesteinsebrug die uit twee losse brugdelen bestaat een ongeval plaats, waarbij een vrachtwagen tegen de middenvangrail van de brug botste. Een vanuit tegenovergestelde richting komende, uit zijn voertuig gestapte, weggebruiker heeft vervolgens, in een poging hulp te verlenen aan de vrachtwagenchauffeur, getracht naar het andere gedeelte van de brug over te steken. Aangezien de normaal gesproken aanwezige verbindende roosters tussen de brugdelen vanwege onderhoudswerkzaamheden ontbraken, is de weggebruiker tussen beide brugdelen gevallen en overleden. Achmea heeft – als WAM-verzekeraar van de vrachtwagen – uit hoofde van zaakwaarneming (ex artikel 6:200 BW) de door de nabestaanden van de overleden weggebruiker geleden schade vergoed. De nabestaanden hebben de vordering op de Staat vervolgens rechtsgeldig aan Achmea gecedeerd. In onderhavige kwestie vordert Achmea de Staat te veroordelen tot betaling van de door Achmea op basis van artikel 6:174 BW uitgekeerde schadevergoeding.

Beoordeling

Het hof stelt vast dat artikel 6:174 BW gelet op de Tijdelijke regeling Verhaalsrechten (ex artikel 6:197 BW) in deze kwestie niet van toepassing is, en dat aan de hand van artikel 6:162 BW, met behulp van de kelderluikcriteria, moet worden getoetst of de Staat als wegbeheerder op basis van zijn algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers aansprakelijk is.

Bij zijn beoordeling acht het hof van belang dat beide brugdelen normaal gesproken door roosters met elkaar zijn verbonden en dat dit ten tijde van het ongeval niet het geval was. Daardoor heeft de Staat in zijn hoedanigheid van wegbeheerder een gevaarlijke situatie in het leven geroepen. De enige maatregel die de Staat had genomen, te weten het plaatsen van een valleuning van één meter hoog achter de vangrails, was volgens het hof geen afdoende maatregel tegen bescherming van dit gevaar. De Staat had ter voorkoming van dit gevaar gemakkelijk aanvullende veiligheidsmaatregelen kunnen en moeten nemen zoals het plaatsen van een hoog hek of extra waarschuwingsborden die er specifiek op wezen dat de roosters waren verwijderd.

Daarnaast was volgens het hof niet onvoorzienbaar dat een weggebruiker na het zien van een verkeersongeval van de ene kant van de brug op de andere kant van de brug hulp wilde bieden aan een slachtoffer door zich daartoe over de vangrail naar dat andere brugdeel te begeven. Dat wordt ook niet anders door het plaatsen van een valleuning van slechts één meter hoog omdat daar gemakkelijk overheen is te gaan. Door het verplicht stellen van roosters tussen twee losstaande brugdelen is volgens het hof ook door de regelgever rekening gehouden met de omstandigheid dat voetgangers van het ene brugdeel naar het andere brugdeel oversteken. De kans op schade door ongevallen was onder die omstandigheden niet verwaarloosbaar.

Verder overweegt het hof dat de vrachtwagenchauffeur als verzekerde van Achmea weliswaar hoofdelijk (ex artikel 6:102 BW) aansprakelijk is op grond van zaakwaarneming, maar dat niet kan worden gezegd dat de vrachtwagenchauffeur heeft bijgedragen aan de schade. Het ontbreken van roosters in combinatie met onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft de schade immers veroorzaakt. Daarom eist de billijkheid dat de schade op grond van artikel 6:101 BW volledig door de Staat moet worden gedragen.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de door de Staat getroffen maatregel – een één meter hoge veiligheidsleuning – onvoldoende was. Omdat geen extra veiligheidsmaatregelen waren getroffen, is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de Staat als wegbeheerder in zijn zorgplicht tekort is geschoten en onrechtmatig jegens de weggebruiker heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en aldus jegens de nabestaanden van de weggebruiker aansprakelijk is voor de door hen geleden, door Achmea vergoedde schade.