De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Hof Den Haag: voorwaarde van NIVRE-registratie van contra-expert is bij consumentenverzekering in strijd met de wet

Hof Den Haag: voorwaarde van NIVRE-registratie van contra-expert is bij consumentenverzekering in strijd met de wet

Het Hof Den Haag heeft in een collectieve actie door Stichting Ombudsman Schadeverzekeringen tegen Achmea geoordeeld dat consumentenverzekeringen die de kosten van een contra-expert slechts vergoeden wanneer deze is geregistreerd bij het NIVRE of een vergelijkbare beroepsorganisatie in strijd met de wet zijn (art. 7:959 lid 1 BW). Dergelijke polisvoorwaarden zijn in zoverre onredelijk bezwarend en vernietigbaar en mogen door Achmea in zoverre niet meer worden gebruikt. Dit alles geldt echter niet (meer) voor zover de expertisekosten de verzekerde som overstijgen.
Auteur artikelJonathan Overes
Gepubliceerd03 juni 2020
Laatst gewijzigd03 juni 2020
Leestijd 

Op 2 juni jl. heeft het Hof Den Haag uitspraak gedaan in een collectieve actie van Stichting Ombudsman Schadeverzekeringen (OSN) tegen Achmea (ECLI:NL:GHDHA:2020:940). In diverse verzekeringsproducten van Achmea werd voor de vergoeding van kosten van de contra-expert als voorwaarde gesteld dat de contra-expert geregistreerd staat bij het Nederlands Instituut van Register Experts (NIVRE) of bij een soortgelijke organisatie, mits die organisatie zich dan hield aan de "Gedragscode schade-expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars en een duidelijke klacht- en tuchtprocedure en permanente educatie-eisen voorschreef. Volgens OSN zijn deze voorwaarden in strijd met de wet en in het bijzonder met art. 7:959 lid 1 BW dat een dwingendrechtelijke regeling geeft van vergoeding van expertisekosten (dat wil hier zeggen: kosten van schadevaststelling). Ook stelde OSN dat de polisvoorwaarden in strijd met de wet waren omdat de kosten van de contra-expert, voor zover die hoger zouden zijn dan de kosten van de expert van de verzekeraar, slechts vergoed werden voor zover die extra kosten redelijk zijn. Achmea voerde inhoudelijk verweer tegen de standpunten van OSN. Ik geef een korte samenvatting van het oordeel van het Hof Den Haag.

De wettelijke regeling van expertisekosten: art. 7:959 lid 1 BW

OSN deed expliciet een beroep op art. 7:959 lid 1 BW, dat als volgt luidt:

"De [bereddingskosten] en de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, komen ten laste van de verzekeraar, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden."

Op grond van art. 7:963 lid 6 BW geldt voor consumentenverzekeringen dat in polisvoorwaarden van art. 7:959 lid 1 BW alleen ten nadele van de verzekerde mag worden afgeweken voor zover de bereddingskosten en expertisekosten hoger zijn dan het bedrag van de verzekerde som. Voor zover die kosten lager uitvallen, is art. 7:959 lid 1 BW dwingend recht.

Achmea voerde als meest principieel verweer aan dat uit art. 7:959 lid 1 BW niet volgt dat een verzekerde recht heeft om op kosten van een verzekeraar een contra-expert in te schakelen. Het Hof Den Haag oordeelt echter dat onder "de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade" ook de kosten van een contra-expert vallen, mits het inschakelen van de contra-expert redelijk was en zijn kosten ook - kortom een "dubbele redelijkheidstoets" (r.o 3.6). Die toets hangt van de concrete omstandigheden van het geval af, maar in het algemeen is het inschakelen van een contra-expert redelijk omdat de verzekeraar en de verzekerde een tegengesteld belang hebben, aldus het hof. Ook het recht op vergoeding van kosten van een contra-expert valt kortom onder art. 7:959 lid 1 BW.

De eis van registratie bij NIVRE of een soortgelijke organisatie

Vervolgens toetst het hof aan art. 7:959 lid 1 BW de eis dat de contra-expert is geregistreerd bij het NIVRE of een soortgelijke organisatie met een klacht- en tuchtprocedure en permanente educatie-eisen. Het hof oordeelt dat de kosten van een contra-expert die op zichzelf niet aan deze kwaliteitseisen voldoet, niet daarmee al onredelijk zijn. Weliswaar zijn dergelijke kwaliteitseisen ook in het belang van de verzekerde, maar het hof acht niet uitgesloten dat een contra-expert die niet aan deze kwaliteitseisen voldoet toch in staat is een kwalitatief goede contra-expertise uit te voeren (r.o. 3.8, zie ook 3.10). Het hof wijst daarbij onder meer naar de "vrij stringente" eisen om bij het NIVRE geregistreerd te kunnen zijn en overweegt dat Achmea onvoldoende heeft toegelicht dat er vergelijkbare beroepsorganisaties bestaan waarbij contra-experts zich zouden kunnen aansluiten. 

Het hof oordeelt daarom resumerend (r.o. 3.9):

"Een consument heeft in beginsel dan ook de vrijheid zijn eigen deskundige te kiezen, mits die persoon naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat moet worden geacht een deskundig advies uit te brengen. De redelijke kosten die een dergelijke expert in rekening brengt voor het vaststellen van de schade, behoren op de voet van art. 7:959 lid 1 BW door Achmea te worden vergoed, ook als de expert niet voldoet aan de eisen die in de Bedingen worden gesteld. De Bedingen zijn dan ook in strijd met art. 7:959 lid 1 BW voor zover daarin is bepaald dat enkel kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die aan de (kwaliteits)eisen uit de polisvoorwaarden voldoen, voor vergoeding in aanmerking komen."

Het hof beperkt dit oordeel echter tot het geval de expertisekosten de omvang van de verzekerde som niet overstijgen. Voor zover de expertisekosten de omvang van de verzekerde som wél overstijgen, is art. 7:959 lid 1 BW geen dwingend recht (art. 7:963 lid 6 BW; zie r.o. 3.12). Voor zover de expertisekosten de omvang van de verzekerde som overstijgen, ziet het hof onvoldoende aanleiding om de kwaliteitseisen onredelijk bezwarend te achten (r.o. 3.13). Alleen in die, vrij uitzonderlijke, situatie zijn deze kwaliteitseisen in zoverre wel toegestaan.

De kosten van een contra-expert in vergelijking met die van de expert van de verzekeraar

Het hof verwerpt evenwel de klacht van OSN dat de polisvoorwaarden bepaalden dat de kosten van een contra-expert die de kosten van de expert van de verzekeraar overstijgen alleen worden vergoed als deze redelijk zijn (r.o. 3.11). Een dergelijke bepaling is niet in strijd met art. 7:959 lid 1 BW, dat juist immers de voorwaarde van de dubbele redelijkheidstoets bevat. Het hof wijst erop dat de polisvoorwaarden van Achmea op dit punt juist gunstig kunnen zijn voor de consument, omdat uit de polisvoorwaarden volgt dat Achmea (kennelijk) afzag van een dergelijke redelijkheidstoets voor zover de kosten van de contra-expert niet de kosten van de expert van de verzekeraar overstijgen. 

Verklaring voor recht en verbod

De uitkomst is dat het hof voor recht verklaart dat de polisvoorwaarden die als eis stelden dat de contra-expert geregistreerd is bij het NIVRE of een soortgelijke organisatie met verwante structuren en kwaliteitseisen in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 BW en daarom onredelijk bezwarend zijn in de zin van art. 6:240 BW, tenzij het gaat om kosten die het bedrag van de verzekerde som overstijgen. Het hof verbiedt Achmea in zoverre de polisvoorwaarden jegens consumenten te gebruiken, maar stelt daarbij geen dwangsom gezien de verklaring van Achmea dat zij vrijwillig aan een (eventuele) veroordeling zal voldoen. 

Beoordeel dit artikel