Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. OM niet-ontvankelijk in proefprocessen nieuwe aanpak verzekeringsfraude

OM niet-ontvankelijk in proefprocessen nieuwe aanpak verzekeringsfraude

In een eerder artikel heb ik aandacht besteed aan de proefprocessen verzekeringsfraude waarvan de rechtbank Rotterdam in augustus 2019 de inhoudelijke behandeling heeft aangehouden. Op 29 oktober 2019 heeft de rechtbank Rotterdam het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachten. Bijzonder aan deze zaken is dat het in beide gevallen gaat om verzekeringsfraude waarbij het opsporingsonderzoek en de opbouw van het strafdossier is uitgevoerd door de verzekeraar overeenkomstig het convenant aanpak verzekeringsfraude
Auteur artikelMyrthe Haarman
Gepubliceerd06 november 2019
Laatst gewijzigd06 november 2019
Leestijd 

De twee proefprocessen

In de eerste zaak wordt aan de verdachte ten laste gelegd dat hij de verzekeraar heeft bewogen tot betaling van € 98.480,90 omdat hij door het ongeval arbeidsongeschikt zou zijn vanwege whiplashachtige klachten. De verdachte heeft bij de verzekeraar verschillende kosten geclaimd zoals: huishoudelijke hulp, vervangend vervoer, reparatie mobiele telefoon en de reparatie van zijn horloge. Volgens de verzekeraar heeft de verdachte diverse facturen vervalst.

De verzekeraar heeft het opsporingsonderzoek verricht in verband met de strafbare feiten die de verdachte zou hebben gepleegd. Het OM is van oordeel dat de begeleiding die door of namens het OM is geboden bij de vormgeving van het onderzoek en de wijze van verslaglegging daarvan, moet worden aangemerkt als opsporingsonderzoek in het kader van artikel 167 Sv. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van enige inhoudelijke bemoeienis door of namens het OM met het onderzoek naar de feiten. Het OM heeft zich alleen beziggehouden met de vormgeving van de uitvoering en de verslaglegging, aldus de rechtbank.

Volgens de rechtbank is het onderzoek dat de verzekeraar heeft gedaan geen opsporingsonderzoek onder gezag van de officier van justitie. Het gezag wordt ontleend aan het Kaderconvenant Samenwerking aanpak verzekeringsfraude en gerelateerde criminaliteit, dit gezag heeft echter geen wettelijke grondslag. De verzekeraar en haar medewerkers worden ook niet genoemd in de artikelen 141-142 Sv waarin limitatief de ambtenaren die met opsporing zijn belast, staan vermeld.

Nu in deze zaak niet voldaan is aan de wettelijke waarborgen omtrent het opsporingsonderzoek, heeft de rechtbank geoordeeld dat het OM in strijd met de eisen van de goede procesorde heeft gehandeld. De officier van justitie is daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

De rechtbank Rotterdam heeft het OM ook in de tweede zaak niet-ontvankelijk verklaard. In deze zaak moest de verdachte zich verantwoorden voor een aanrijding die hij zou hebben geënsceneerd en waarvoor hij bij de verzekeraar € 5.422,97 aan schade zou hebben geclaimd. De verzekeraar stelt dat hij het aanrijdingsformulier heeft vervalst en dat de aanrijding in scène is gezet. De rechtbank kan in deze zaak niet tot een andere conclusie komen als in de voorgaande zaak. Dus ook in de tweede zaak is het OM niet-ontvankelijk.

Hoe nu verder?

De mogelijkheid bestaat dat het OM in hoger beroep gaat tegen het vonnis van de rechtbank. Volgens het OM klopt het door de verzekeraar uitgevoerde opsporingsonderzoek en het zou goed kunnen dat het hof de visie van het OM volgt. Uiteraard kan het dossier alsnog aan de politie worden overgedragen en kan de verzekeraar de vermeende fraudeurs civielrechtelijk aanspreken.

Zodra zich verdere ontwikkelingen voordoen bericht ik daarover.