Zoeken
  1. Ongeval tussen zitgrasmaaier en auto. Toedracht bewezen?

Ongeval tussen zitgrasmaaier en auto. Toedracht bewezen?

Een bestuurder van een zitgrasmaaier loopt ernstig letsel op wanneer hij in botsing komt met een personenauto op de openbare weg in het buitengebied. De bestuurder van de auto en haar verzekeraar worden op grond van de artikelen 19 RVV en 6 WVW aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade. De rechtbank buigt zich over de vraag of dit geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.
Auteur artikelLetske Hofstra (uit dienst)
Gepubliceerd26 juli 2018
Laatst gewijzigd26 juli 2018
Leestijd 

Feiten & omstandigheden

Op 21 juni 2014 komt een vrouw (verweerder) met haar personenauto op een openbare weg in het buitengebied in botsing met (de bestuurder van) een zitgrasmaaier. Ten gevolge van dit ongeval loopt de bestuurder van de zitgrasmaaier ernstig letsel op. De bestuurder van de auto en haar verzekeraar worden op grond van de artikelen 19 RVV en 6 WVW aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade. De vrouw zou onvoldoende oplettend hebben gehandeld door tegen de zitgrasmaaier aan te rijden terwijl er voldoende gelegenheid zou hebben bestaan om haar voertuig tijdig tot stilstand te brengen. Gesteld wordt bovendien dat de vrouw te hard heeft gereden. Op verzoek van benadeelde stelt een verkeersongevallendeskundige een rapport op van het ongeval.

Als aansprakelijkheid door (de verzekeraar van) de bestuurder van de personenauto wordt afgewezen, start benadeelde een deelgeschilprocedure op grond van artikel 1019w Rv. Verzekeraar meent dat de zaak zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure omdat de toedracht van het ongeval niet vaststaat en partijen verdeeld zijn over de omvang van de schade.

Tot welk oordeel komt rechtbank Noord-Nederland?

De beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6 WVW vast moet staan dat het ongeval te wijten is aan (verwijtbaar) handelen of nalaten van de bestuurder van de personenauto. Volgens de rechtbank volgt dit niet uit de enkele omstandigheid dat de vrouw tegen de door verzoeker bestuurde zitgrasmaaier is gebotst.

De rechtbank vervolgt:

Daarvan zou wel sprake kunnen zijn indien de grasmaaier al enige tijd op de rijbaan reed toen [A] de plaats van het ongeval naderde. Onder verwijzing naar het rapport van Bosscha stelt [verzoeker] dat dit het geval was.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit rapport onvoldoende bewijs van de stelling dat het ongeval is veroorzaakt door nalatig handelen van [A] . In zijn rapport gaat Bosscha uit van het feit dat de grasmaaier voor het ongeval gedurende circa 1,8 á 2,9 seconden als gevaar zettend voor [A] op de rijbaan te zien moet zijn geweest. Uit het rapport volgt dat hiertoe een berekening is gemaakt die tot stand is gekomen aan de hand van een door [verzoeker] gemaakte schatting van de snelheid van zijn grasmaaier. Naar het oordeel van de rechtbank overtuigt het rapport op dit punt niet omdat [verzoeker] ook heeft verklaard dat hij zich van het ongeval niets meer kon herinneren. Op welke wijze de deskundige vervolgens heeft berekend dat de grasmaaier circa 1,8 á 2,9 seconden als gevaar zettend op de rijbaan te zien moet zijn geweest volgt niet uit het rapport.”

De rechtbank sluit zich aan bij de kanttekeningen die verzekeraar bij het rapport van de deskundige heeft geplaatst:

Bosscha heeft in zijn rapport beschreven dat hij een enigszins beperkte analyse van het ongeval heeft gemaakt. Niet duidelijk omschreven is waar deze beperkingen in zijn gelegen. Uit het rapport volgt niet op basis van welke door Bosscha aan Van Laere verstrekte gegevens de botsanalyse is uitgevoerd.

(…)

Het rapport is voorts op gebrekkige wijze tot stand gekomen omdat Bosscha zich heeft gebaseerd op via [verzoeker] verkregen informatie terwijl niet alle beschikbare getuigen (waaronder [A] ) zijn gehoord en voorts omdat het beginsel van hoor- en wederhoor niet is toegepast nu NH 1816 c.s. niet bij de totstandkoming van het rapport betrokken is geweest.”

Niet duidelijk is bovendien of de vrouw in strijd met artikel 19 RVV heeft gehandeld omdat zij haar auto niet tot stilstand zou hebben gebracht binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien.

De rechtbank is van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat:

de aanrijding is veroorzaakt door een rijfout van [verzoeker], hetgeen de verbalisanten blijkens het mutatierapport van 27 juni 2014 als uitgangspunt hebben aangehouden. Mogelijk heeft [verzoeker] tijdens het maaien een plotselinge manoeuvre over de rijbaan gemaakt, resteerde voor [A] geen tijd om te anticiperen en is de grasmaaier op dat moment in botsing gekomen met haar voertuig. In dat - op zichzelf bezien niet ondenkbare - scenario treft [A] niet het verwijt dat zij in strijd met artikel 19 RVV 1990 heeft gehandeld.”

Tot slot komt niet vast te staan dat de vrouw te hard zou hebben gereden. Deze stelling wordt slechts onderbouwd door de volgende verklaring van een getuige:

Er komt een auto langs rijden die ongeveer na onze idee te hard reed.

Kortom, de toedracht van het ongeval staat niet vast. Er is nadere bewijslevering in de vorm van getuigenverhoren en (mogelijk) een deskundigenbericht nodig. Voor nadere bewijslevering is de deelgeschilprocedure niet geschikt. De rechtbank wijst het verzoek af.