De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Ook de advocaat-generaal bij de Hoge Raad acht schildersbedrijf deels aansprakelijk voor door werknemer opgelopen blaaskanker

Ook de advocaat-generaal bij de Hoge Raad acht schildersbedrijf deels aansprakelijk voor door werknemer opgelopen blaaskanker

Het hof ’s-Hertogenbosch besliste in maart 2019, na verwijzing door de Hoge Raad in één van de twee welbekende ‘7 juni 2013-arresten’, dat een schildersbedrijf gedeeltelijk aansprakelijk is voor de geleden schade als gevolg van de ziekte en het overlijden van een werknemer. Tegen dat arrest is cassatie ingesteld. In de recent gepubliceerde conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad worden de overwegingen van het hof gevolgd en wordt geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
Auteur artikelEvelien Boonzaaijer
Gepubliceerd18 september 2020
Laatst gewijzigd18 september 2020
Leestijd 

Achtergrond

De werknemer overleed in 2001 aan de gevolgen van blaaskanker. De dochter heeft het schildersbedrijf aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van de ziekte en het overlijden van haar vader. Volgens de dochter is haar vader tijdens zijn werk blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen. Het schildersbedrijf zou niet hebben gezorgd voor een goede bescherming daartegen. Het schildersbedrijf betwistte aansprakelijk te zijn.

Er volgde een lange procedure tot aan de Hoge Raad, die op 7 juni 2013 zijn inmiddels zeer bekende arrest wees. Voor een uitgebreide analyse van dit arrest verwijzen wij naar een eerdere blog.

Het hof ná verwijzing heeft zich wederom uitgelaten over de vraag of causaal verband bestaat tussen de gezondheidsklachten van de werknemer en de arbeidsomstandigheden bij het schildersbedrijf. Ook dit arrest hebben wij reeds besproken.

De door het hof benoemde deskundige heeft geconcludeerd dat er een kans bestaat van
14,7 – 32,3 % dat de gezondheidsklachten zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden bij de aangesproken werkgever. Het hof achtte die kans te onzeker en te onbepaald om de zogenaamde arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe te passen. Deze regel houdt in dat, wanneer een werknemer (1) aantoont dat hij bij zijn werk is blootgesteld aan omstandigheden die schadelijk kunnen zijn geweest voor zijn gezondheid en (2) aannemelijk maakt dat zijn gezondheidsklachten hierdoor kunnen zijn veroorzaakt, het oorzakelijk verband tussen de klachten en de blootstelling wordt aangenomen, tenzij de werkgever bewijst dat hij die maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig waren om de schade van de werknemer te voorkomen.

Omdat niet bewezen werd geacht dat de gezondheidsklachten waren veroorzaakt door de werkzaamheden bij het schildersbedrijf achtte het hof het schildersbedrijf dan ook niet volledig aansprakelijk voor de geleden schade. Daarbij speelde eveneens een rol dat de werknemer ook bij eerdere werkgevers al blootgesteld aan gevaarlijke stoffen.

Wel zag het hof aanleiding om het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid toe te passen en het schildersbedrijf voor 25% van de gehele schade aansprakelijk te achten. Dit leerstuk houdt kortgezegd in dat de rechter in gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending van de aansprakelijkgestelde persoon of van iemand voor wie hij aansprakelijk is, dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt (of door een combinatie van beide oorzaken) en waarin de kans dat de schade door de normschending is veroorzaakt niet zeer klein noch zeer groot is, de aansprakelijkgestelde persoon mag veroordelen tot schadevergoeding in evenredigheid met de in een percentage uitgedrukte kans dat de schade door zijn normschending is veroorzaakt (NJ 2011/250).

Het hof oordeelde voorts over de toepasselijkheid van artikel 6:99 BW, de zogenaamde alternatieve causaliteit. Artikel 6:99 BW is van toepassing als de schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een persoon aansprakelijk is en vaststaat dat de schade door tenminste een van deze gebeurtenissen is ontstaan. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:99 BW, in die zin dat het schildersbedrijf naast de eerdere werkgevers hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele schade, zag het hof geen reden.

Cassatie

Door de dochter van de werknemer is tegen het arrest van het hof cassatie ingesteld. Er worden onder meer bezwaren aangevoerd over (1) het oordeel van het hof dat een veroorzakingskans van 25% (het midden van de door de deskundige vastgestelde marge) onvoldoende is voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, (2) dat de ondergrens voor de toepassing van het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid gelijk is aan die van de toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel en (3) dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:99 BW.

Conclusie advocaat-generaal

Op 28 augustus jl. is de conclusie van de advocaat-generaal verschenen. De advocaat-generaal meent dat de klachten onterecht zijn ingesteld en dat het hof een juist oordeel heeft gegeven.

Over de (niet) toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel is de advocaat-generaal duidelijk. Hoewel het volgens hem niet mogelijk is een harde grens aan te geven, acht hij een kans van 25% is onvoldoende voor het toepassen van de arbeidsrechtelijk omkeringsregel. Dit zou er immers toe leiden dat de werkgever 100% van de schade moet vergoeden, terwijl er een kans van 75% bestaat dat de schade niet door zijn toedoen is ontstaan.

Ook ten aanzien van de proportionele aansprakelijkheid sluit de advocaat-generaal aan bij het oordeel van het hof. Een kans van 25% is niet zeer klein, maar ook niet zeer groot en daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid. Hij zet voorts uiteen dat het voor de hand ligt om aan te nemen dat de ondergrens van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel en de bovengrens van de proportionele aansprakelijkheid min of meer samenvallen, zodat deze leerstukken op elkaar aansluiten. Als de ondergrens van beide leerstukken samen zouden vallen, dan zou dat er immers toe leiden dat beide leerstukken onder dezelfde omstandigheden van toepassing zijn en de rechter dan in feite kan kiezen of hij de last van de onzekerheid van het causaal verband volledig op de werkgever legt, of dat hij die last tussen de werknemer en de werkgever verdeeld. Dat zou volgens de advocaat-generaal kunnen leiden tot willekeur en is reeds om die reden niet wenselijk.

Tot slot het beroep op artikel 6:99 BW. Het hof zag onvoldoende aanknopingspunten om artikel 6:99 BW toe te passen. Ook dat oordeel wordt door de advocaat-generaal onderschreven.

Het regime van artikel 6:99 BW kan volgens de advocaat-generaal slechts rechtstreeks toegepast worden in beroepsziektekwesties, als (1) de ziekte uitsluitend is te relateren aan de blootstelling bij twee of meer werkgevers en voor ieder van deze werkgevers geldt dat hij zijn zorgplicht heeft geschonden en (2) ervan moet worden uitgegaan dat de volledige schade door de blootstelling bij een van hen is veroorzaakt, dan wel dat de volledige schade door de blootstelling bij de aangesproken werkgever zou zijn ontstaan als de blootstelling bij andere werkgevers wordt weggedacht.

Als een van de werkgevers niet is tekortgeschoten in de zorgplicht dan mist artikel 6:99 BW hoe dan ook toepassing. Hetzelfde geldt voor de gevallen waarin het juist onzeker is door ‘welke’ van de blootstellingen de ziekte is veroorzaakt, of die waarin de ziekte (mede) kan zijn veroorzaakt door omstandigheden die voor rekening van de werknemer komen. Ook dan is artikel 6:99 BW niet (rechtstreeks) van toepassing.

Voor een analoge toepassing van artikel 6:99 BW – in die zin dat de blootstelling bij andere werkgevers voor rekening van de aangesproken werkgever wordt gebracht – ziet de advocaat-generaal eveneens geen ruimte. Een dergelijke constructie zou ertoe leiden dat de aangesproken werkgever in het kader van de proportionaliteit een hoger percentage van de schade moet vergoeden, dan de kans dat de schade ook daadwerkelijk door zijn eigen toedoen is ontstaan.

Voor de onderhavige kwestie betekent dit dat blootstelling bij eerdere werkgevers, in de verhouding tussen de werknemer en de aangesproken werkgever, hoe dan ook niet voor rekening van de aangesproken werkgever kunnen worden gebracht.

Vervolg

Nu  is de Hoge Raad aan zet. Als het tot een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad komt zal in het te wijzen arrest duidelijk worden of de lijn die hij met de 7 juni 2013 arresten heeft ingezet, wordt doorgetrokken. Wordt vervolgd!