De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Overgang van verzekering bij activa- en passivatransacties: de overgang is automatisch, de voortzetting echter niet

Overgang van verzekering bij activa- en passivatransacties: de overgang is automatisch, de voorzetting echter niet

In het verzekeringsrecht geldt: 'de verzekering volgt het belang'. Op grond van art. 7:948 BW gaat een verzekering van een zaak op de verkrijger van de zaak over. De overgang duurt echter niet lang: binnen één maand moet de verkrijger aan de verzekeraar laten weten of hij de verzekering wil voorzetten, anders vervalt de verzekering alsnog. Als de verzekerde dit verzuimt te doen, kan de verzekeraar dekking weigeren, tenzij de verzekerde kan aantonen dat ook bij een tijdige voortzettingsverklaring de verzekering zou zijn voortgezet. Een recent arrest van het Hof Den Haag over deze materie laat opnieuw licht schijnen op deze juridische materie.
Auteur artikel Jonathan Overes
Gepubliceerd 15 december 2020
Laatst gewijzigd 15 december 2020
Leestijd 

Koop breekt geen verzekering, althans niet direct

Veel juristen kennen de regel 'koop breekt geen huur' uit het huurrecht (art. 7:226 BW). Minder bekend is dat het verzekeringsrecht een min of meer vergelijkbare regel kent, namelijk 'koop breekt geen verzekering'. Deze regel is te vinden in art. 7:948 BW. Art. 7:948 BW is van regelend recht, zodat polisvoorwaarden daarvan kunnen afwijken. Regelmatig bevatten polisvoorwaarden een eigen regeling die min of meer overeenkomt met art. 7:948 BW.

Art. 7:948 BW is een tamelijk complexe regeling en bestaat uit vijf leden. De kern is dat als een verzekerde zaak door de verzekerde verkocht wordt, de verzekering van die zaak op de verkrijger overgaat, waarmee de verkrijger de nieuwe verzekerde wordt (lid 1). De ratio van deze regeling is dat overgang van de verzekering logisch geacht wordt omdat de vervreemder het belang bij de zaak heeft verloren en de verkrijger een belang bij de zaak heeft verkregen. Dat de verzekering met de zaak meegaat is dan logisch, en dat die overgang automatisch gaat is dan wenselijk omdat een cessie van de verzekering vergeten zou kunnen worden en tijdrovend of ingewikkeld kan zijn. 

Art. 7:948 BW beschermt hiermee de verkrijger van een verzekerde zaak. Aan de andere kant krijgt de verzekeraar hiermee 'opeens' een nieuwe contractuele wederpartij. Omdat het ook onwenselijk is om een verzekeraar zomaar en ongevraagd te laten binden aan een andere wederpartij, is uitgangspunt dat de overgang van de verzekering slechts één maand bedraagt (lid 2). In die maand moet de nieuwe verzekerde aan de verzekeraar berichten dat hij de verzekering wil voortzetten, anders vervalt de verzekering alsnog na die maand. Als de verzekerde zo'n voortzettingsverklaring uitbrengt, heeft de verzekeraar twee maanden het recht om de verzekering op te zeggen. Op deze manier beschermt art. 7:948 BW ook de verzekeraar. De overgang van de verzekering is immers wel automatisch, maar de voortzetting daarvan echter niet.

Belangrijk is dat de overgang van verzekering bij overgang van een verzekerd belang diverse beperkingen en voorwaarden heeft, die te vinden zijn in de vijf leden van art. 7:948 BW. Eén daarvan is dat het moet gaan om de overdracht van de verzekerde zaak. Als bijvoorbeeld - bij een B.V. of N.V. - de verzekerde persoon wordt overgedragen op basis van een aandelentransactie of de verzekerde persoon een nieuwe statutaire naam krijgt, is art. 7:948 BW niet van toepassing. Dat is dan ook niet nodig: de verzekerde blijft dan immers dezelfde.

Het ontbreken van een voorzettingsverklaring en strijd met de redelijkheid en billijkheid

Zeker bij een transactie van een verzekerde zaak tussen verschillende partijen die (al dan niet bedrijfsmatig) een eenheid vormen, ligt het vergeten van een tijdige voortzettingsverklaring door de verkrijgende partij op de loer. Als dan later een schade aan de zaak ontstaat en de verzekeraar vanwege de ontbrekende voortzettingsverklaring een beroep doet op het verval van de verzekering, kan de vraag rijzen of zo'n beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW). Daarbij valt met name te denken aan de situatie dat de verzekeraar bij een tijdige voortzettingsverklaring de verzekering 'gewoon' zou hebben voortgezet. Het beroep op het ontbreken van de voortzettingsverklaring kan dan immers aanvoelen als misbruik van recht.

De Hoge Raad heeft in (onder meer) het Wasserij De Blinde-arrest uit 2013 geoordeeld dat het beroep van een verzekeraar op het verval van de verzekering vanwege een ontbrekende voortzettingsverklaring inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan zijn. De Hoge Raad overwoog in dat arrest (r.o. 3.3.2):

"Indien de verzekeringnemer het verzekerde risico heeft doen overgaan op een derde en die derde zich op dekking beroept, staat het de verzekeraar in het algemeen vrij zich te beroepen op [het verval van de verzekering]. Een beroep [daarop] is dan ook niet reeds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar op de enkele grond dat de verzekeraar zijn standpunt dat hij de derde als nieuwe verzekerde zou hebben geweigerd, niet heeft gemotiveerd. Dit neemt niet weg dat art. 6:248 lid 2 BW een beroep op een dergelijke clausule kan beletten in verband met - door de verzekeringnemer of derde te stellen en zo nodig te bewijzen - omstandigheden van het concrete geval. Bij de beoordeling kan meewegen dat de verzekeraar zijn voormelde standpunt niet heeft gemotiveerd."

Het ging in die zaak om de overdracht van de eigendom van gebouwen van een dochtermaatschappij aan haar moedermaatschappij. De verkrijger (de moedermaatschappij) had verzuimd om een voorzettingsverklaring te geven aan de verzekeraar, maar voerde aan dat de overdracht feitelijk geen enkele relevante (risico)wijziging had teweeggebracht, dat de premie steeds was doorbetaald en dat de verzekeraar de moedermaatschappij als nieuwe verzekerde gewoon zou hebben geaccepteerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof in die zaak ten onrechte deze omstandigheden niet had meegenomen bij de vraag of het beroep van de verzekeraar op het verval van de verzekering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.

Het The Oyster Club-arrest van het Hof Den Haag

Op 20 oktober 2020 heeft het Hof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarin de overgang van verzekering en de noodzaak van een voortzettingsverklaring centraal stond (ECLI:NL:GHDHA:2020:2018). De uitspraak biedt opnieuw licht op bepaalde aspecten van de overgang van verzekering en het beroep op de redelijkheid en billijkheid als de nieuwe verzekerde verzuimd heeft tijdig een voorzettingsverklaring te doen bij de verzekeraar.

Het ging in dit arrest kort gezegd om The Oyster Club B.V. Op 15 oktober 2015 had The Oyster Club op basis van een activa- en passivatransactie van een andere B.V. een horecaonderneming overgenomen, waaronder een onroerende zaak, de inventaris en de voorraad. De verkopende B.V. had voor deze zaken een verzekering bij verzekeraar Reaal lopen. Op 18 november 2015 berichtte de assurantietussenpersoon namens The Oyster Club dat "de tenaamstelling" van de verzekering moest worden gewijzigd naar The Oyster Club en dat de "activiteiten en eigenaar ongewijzigd" waren. Bij dat bericht werd een KvK-uittreksel meegezonden waaruit bleek dat de eigenaar van de verzekerde zaken echter niet ongewijzigd was omdat The Oyster Club een andere entiteit was dan de verkopende B.V. die aanvankelijk de verzekering had afgesloten. Een dag later zond de verzekeraar evenwel een nieuw polisblad aan de tussenpersoon, met daarop The Oyster Club als nieuwe verzekeringnemer.

Dingen kwamen pas aan het licht nadat ruim een jaar later brand was ontstaan in het horecapand. Reaal beriep zich op de bepaling in de polisvoorwaarden (artikel 6.4) die een min of meer dezelfde regeling gaf als art. 7:948 BW. Op grond van die bepaling had The Oyster Club binnen 30 dagen na de overgang door "indiening van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier" moeten verklaren dat zij de verzekering overnam en dat anders de verzekering zou vervallen. The Oyster Club bestreed dat Reaal een beroep op die bepaling kon doen. De Rechtbank Den Haag gaf echter Reaal gelijk en wees de vorderingen van The Oyster Club daarom af. The Oyster Club is vervolgens in hoger beroep gegaan, waarbij in de kern drie vragen beantwoord moesten worden.

1. Sprake van overgang van belang?

Allereerst bestreed The Oyster Club dat artikel 6.4 van de polisvoorwaarden van toepassing was, op de grond dat geen sprake was van overgang van belang. Daarbij had The Oyster Club onder meer aangevoerd dat de "UBO" - de Ultimate Beneficial Owner - van de verkopende B.V. dezelfde was als The Oyster Club en dat in artikel 6.4 van de polisvoorwaarden uitdrukkelijk stond dat een aandelentransactie niet tot een overgang van het belang leidde.

Het hof verwierp echter het betoog van The Oyster Club (r.o. 5.3); feit was immers dat de verzekerde zaken bij de activa- en passivatransactie in eigendom waren overgedragen en dat dit een overgang van het verzekerd belang opleverde. Dat sprake was van eenzelfde UBO en géén sprake was van een aandelentransactie maakte dit niet anders.

2. Was sprake van een voortzettingsverklaring en een acceptatie daarvan?

Ten tweede stelde The Oyster Club dat zij een tijdige voorzettingsverklaring had gedaan; zij wees daarbij op het bericht dat de tussenpersoon op 18 november 2015 aan Reaal had gedaan. Het hof verwierp echter ook dit standpunt van The Oyster Club (r.o. 6.2). De tussenpersoon had immers juist expliciet gesteld dat de eigenaar ongewijzigd was. Dat Reaal een nieuw polisblad gaf, maakte niet dat The Oyster Club gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat Reaal ermee bekend was dat sprake was van een overgang van het belang en daarmee akkoord was. Dat gold ook voor het feit dat in de bijlage bij dat bericht te lezen viel dat sprake was van een nieuwe eigenaar; volgens het hof hoefde Reaal op basis van het bericht niet te vermoeden dat sprake was van een overdracht en mocht The Oyster Club er niet op vertrouwen dat Reaal dit wel zelf zou opmerken uit het KvK-uittreksel. Van een voorzettingsverklaring was dus geen sprake. Daaraan voeg ik overigens toe dat het bericht van 18 november 2015 waarschijnlijk ook (net) te laat zou zijn geweest, omdat de overdracht al van 15 oktober 2015 dateerde.

3. Beroep op verval verzekering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

Ten derde kwam aan de orde of het beroep van Reaal op het verval van de verzekering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Daarbij rees de vraag wat Reaal bij een tijdige voortzettingsverklaring zou hebben gedaan. Daarover stelde het hof het volgende voorop (r.o. 7.4):

"Het hof stelt voorop dat Reaal, als The Oyster Club B.V. in het najaar van 2015 middels een aanvraagformulier zou hebben verzocht om de verzekering te mogen voortzetten, in beginsel vrij was geweest om dit verzoek al dan niet te honoreren. Daarbij geldt het eigen acceptatiebeleid van Reaal als uitgangspunt. Hier is immers geen sprake van een beroep op verzwijging van Reaal, waarbij getoetst wordt aan het beleid van een redelijk handelend verzekeraar. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat alleen als er redelijkerwijs geen twijfel over kan zijn dat Reaal in 2015 een aanvraag van The Oyster Club B.V. tot het voortzetten van de verzekering zou hebben geaccepteerd, het beroep van Reaal in deze procedure op de vervalclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BZ3670)."

Het hof kwam vervolgens tot de slotsom dat er niet redelijkerwijs geen twijfel over kon zijn dat Reaal in 2015 een aanvraag van The Oyster Club zou hebben geaccepteerd. Reaal had dit immers betwist en daarbij gewezen op drie schadevoorvallen uit 2009/2010 waarbij aan The Oyster Club gelieerde personen betrokken waren. Het hof oordeelde dat The Oyster Club deze voorvallen bij de voortzettingsverklaring had moeten melden. Bij die schadevoorvallen was sprake geweest van - al dan niet per ongeluk - onjuiste informatieverschaffing aan de verzekeraar en een beschieting c.q. het gooien van een handgranaat. Het hof oordeelde dat Reaal bij bekendheid van deze incidenten mogelijk de voortzetting van de verzekering zou hebben geweigerd, zodat Reaal zich mocht beroepen op het verval van de verzekering vanwege de ontbrekende voorzettingsverklaring.

Overgang van verzekering: tussen oplettendheid en contractsvrijheid

Het The Oyster Club-arrest onderstreept dat de overgang van verzekering bij een overdracht van de verzekerde zaak weliswaar primair gericht is om de verkrijger een 'dienst' te verlenen, maar dat die dienst alsnog oplettendheid bij de verkrijger (de nieuwe verzekerde) vergt. Het verzekeringselement bij een activa- en passivatransactie vergt dan ook specifieke aandacht. Bovendien onderstreept het arrest dat de contractsvrijheid van de verzekeraar beschermd wordt.