Zoeken
  1. Persoonlijkheidsrechten van de architect

Persoonlijkheidsrechten van de architect

Begin dit jaar is er een advies verschenen van de advocaat-generaal, adviseur van de Hoge Raad, omtrent de positie van de architect en diens persoonlijkheidsrechten. Het advies verduidelijkt welke rechten aan de architect toekomen. Dit is van belang voor de vraag of een architect een verbouwing kan tegenhouden of niet.
Artikel | 17 januari 2019 | Joost Becker

Persoonlijkheidsrechten in de wet

De zaak gaat heel kort gezegd over de verbouwing van de gevel van een kantoorpand, waar “D” de architect van is. De architect stelt dat zijn persoonlijkheidsrechten ex art. 25 lid 1 sub c en d van de Auteurswet (Aw) hierdoor aangetast worden.

Art. 25 Aw; wijziging en/of aantasting

Persoonlijkheidsrechten beschermen hoofdzakelijk de band tussen de maker van een werk, zoals een bouwwerk, en het werk zelf. In de wet staat dat een ‘maker van een werk’, zoals een architect, (onder meer) de volgende rechten heeft:

 

(...)c. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid
d. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid

Wetsgeschiedenis

De advocaat-generaal staat uitgebreid stil bij de wetsgeschiedenis, en de verhouding met het internationale verdrag de Berner Conventie (BC), waarin de persoonlijkheidsrechten ook aan de orde komen maar (iets) anders zijn geformuleerd, en de daarop 'afgestemde' Aw. Zijn conclusie is dat de Nederlandse wetgever in art. 25 Aw een onderscheid gemaakt tussen "wijzigingen" van het werk "sub c" en "misvormingen, verminkingen of andere aantastingen" "sub d". Maar dat onderscheid zit helemaal niet in (art. 6bis lid 1 van de) BC.

Wat is het verschil tussen wijzigen en aantasten?

De advocaat-generaal merkt verder -terecht- op dat het onderscheid tussen beide bepalingen onduidelijk is:

De parlementaire geschiedenis van de Auteurswet en die wet zelf maken bovendien niet duidelijk wanneer sprake is van een "wijziging" en wanneer van een "misvorming, verminking of andere aantasting" (dus het hoofdbegrip is hier: "aantasting"). Tekstueel lijkt een "wijziging" minder ingrijpend dan een "aantasting" van het werk. Waar exact de grens ligt tussen wijziging en aantasting is onduidelijk.

Afstand?

Eén van de redenen waarom het in Nederland gemaakte onderscheid problematisch is, is omdat in de Aw uitdrukkelijk is opgenomen dat de architect afstand kan doen van persoonlijkheidsrechten sub c, maar niet van sub d. Bij afstand kunnen doen van het recht van verzet tegen wijzigingen hoeft een exploitant niet voor elke mineure wijziging terug naar de maker - maar (ook de advocaat-generaal vindt) onbeperkt afstand te ver gaan:

Dat niet duidelijk is waar de grens ligt tussen wijziging en aantasting kan tot problemen leiden omdat het niet (steeds) zonder belang is of sprake is van een geval "sub c" of "sub d". Zo bepaalt art. 25 lid 3 Aw als gezegd dat de maker afstand kan doen van zijn recht "sub c" om zich tegen wijzigingen te verzetten, maar dat kan bij aantasting "sub d" niet.

Wat is een wijziging?

Het voorgaande roept ook de vraag op wat nu precies een wijziging is. Een wijziging betekent, indien de Aw en BC in samenghang gelezen worden, volgens de advocaat-generaal “dat de "sub c" bepaling zo moet worden uitgelegd dat de maker niet alleen het recht heeft zich tegen een wijziging in dat werk te verzetten als die wijziging nadeel zou kunnen toebrengen aan zijn eer of goede naam (de maatstaf uit art. 6bis lid 1 BC), maar dat de maker daarnaast óók het recht heeft zich te verzetten tegen wijzigingen in het werk die zo'n reputatie- aantasting niet meebrengen, tenzij dat verzet in strijd is met de redelijkheid”

Wat is een aantasting?

Algemeen wordt aangenomen dat voor aantasting twee eisen gelden, waaraan moet zijn voldaan voordat aan het recht van verzet geldt. Er moet sprake zijn van aantasting en van reputatieschade.

Reputatieschade

De advocaat-generaal merkt op dat voor alle handelingen, wijziging en aantasting, reputatieschade “constitutief vereiste” is op grond van de BC “zij het met de nuance die door de Nederlandse wetgever is aangebracht (toegestaan onder het Berner Conventieregime van minimum-bescherming) bij wijzigingen "sub c", dat de maker daar ook een verzetsrecht heeft tegen wijzigingen die zo'n reputatie-aantasting niet meebrengen”

Wat is dan nog het verschil tussen wijziging en aantasting? De advocaat-generaal verwoordt het als volgt:

“Wel kan ik mij voorstellen dat de aard van verandering in het werk die bij toetsing aan het aantastingsvereiste wordt vastgesteld gevolgen heeft voor de hoogte van de drempel die in het kader van het reputatieschadevereiste moet worden genomen. Bij een verminking van het werk zal immers sneller kunnen worden aangenomen dat dit nadeel kan toebrengen aan de eer of naam van de maker dan wanneer "slechts" sprake is van een wijziging in het werk. In beide gevallen dient echter volgens de minimum-bescherming van art. 6bis BC aan de twee vereisten aantasting en reputatieschade te worden getoetst.
(…) De verandering in al deze gradaties moet een negatieve impact op het werk hebben. En er geldt het nadeelsvereiste - reputatieschade, dat het belangrijkste element in de beoordeling is.

Bij de beoordeling of sprake is van een verandering die nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de goede naam van de maker wordt een geobjectiveerde toets aangelegd, aldus de advocaat-generaal. Kernvraag is of de wijziging een nadelig effect kan hebben op de publieke perceptie van de maker:

Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de reden voor de veranderingen aan het werk. Als die worden uitgevoerd vanwege (ten opzichte van het moment van creatie veranderde) maatschappelijke of technologische ontwikkelingen, dan is denkbaar dat het publiek dat ook inziet en om die reden de veranderingen geen nadelig effect hebben op de publieke perceptie van de maker. (…) Het gaat slechts om die omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de publieke perceptie van de maker in relatie tot de verandering in het werk.

Concreet oordeel

Het oordeel van het Hof kwam erop neer dat het publiek zou begrijpen dat de aanpassingen aan het bouwwerk van de architect functioneel van aard zijn en dat die aanpassingen, gelet ook op de goede documentatie van het gebouw, geen negatieve weerslag op de eer of naam van de architect zouden hebben. De klachten die de architect daar nu in cassatie tegen richt kunnen volgens de advocaat-generaal niet slagen. Dit mede omdat in het oordeel van het Hof besloten ligt dat (dreigende) reputatieschade bij de uitvoering van de verbouwingsplannen zijn daarmee (impliciet) zijn meegewogen en verworpen. Het hof heeft bovendien overwogen, zo is de conclusie van de advocaat-generaal, dat de voorgenomen wijzigingen van de noordgevel "dermate beperkt zijn dat het basisidee van het ontwerp blijft gehandhaafd".

Het woord is nu aan de Hoge Raad, om te zien of die het advies opvolgt. Het arrest van de Hoge Raad zal (hopelijk) in zijn oordeel ook de positie van de architect en diens persoonlijkheidsrechten verder verduidelijken.

Joost Becker, advocaat auteursrecht