Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Rechter spreekt verbod op gebruik sociale media uit

Rechter spreekt verbod op gebruik sociale media uit

Mag je zomaar alles op social media verkondigen? Nee. Aan de ene kant staat de vrijheid van meningsuiting van de gebruiker van social media. Aan andere kant de gerechtvaardigde belangen van een ander, bijvoorbeeld een privacy belang of het belang van een bedrijf om zich tegen lichtvaardige of ongefundeerde verdachtmakingen te verweren. Waar de grens precies ligt, is moeilijk te zeggen. Als in jouw situatie echter een grens lijkt te zijn overschreden en je weet door wie, dan kun je optreden. O...
Auteur artikelEsther Mommers (uit dienst)
Gepubliceerd12 februari 2013
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Mag je zomaar alles op social media verkondigen? Nee. Aan de ene kant staat de vrijheid van meningsuiting van de gebruiker van social media. Aan andere kant de gerechtvaardigde belangen van een ander, bijvoorbeeld een privacy belang of het belang van een bedrijf om zich tegen lichtvaardige of ongefundeerde verdachtmakingen te verweren. Waar de grens precies ligt, is moeilijk te zeggen. Als in jouw situatie echter een grens lijkt te zijn overschreden en je weet door wie, dan kun je optreden. Onlangs heeft de Rechtbank Amsterdam in zo’n procedure een opmerkelijk vonnis gewezen waarin zelfs een verstrekkend verbod werd uitgesproken.

Wat was er aan de hand?

In een eerder vonnis van 2 augustus 2012 oordeelde de Rechtbank Amsterdam dat B onrechtmatige uitspraken deed over A op Facebook, Hyves en Blogspot. De uitlatingen wekten de indruk dat A te maken zou hebben met prostitutie, seksueel misbruik, nazisme, aan allerlei psychische aandoeningen zou lijden en zich schuldig maakte aan kindermisbruik. B kon dit echter niet bewijzen. De uitlatingen vormden volgens de rechtbank dan ook een ernstige schending van A’s privacy. De vrijheid van meningsuiting van B gaat niet zover dat hij daarmee anderen in de eer en goede naam mag aantasten. De rechtbank besloot daarom dat

(1)   de desbetreffende uitspraken binnen 5 dagen na het vonnis van internet moesten worden verwijderd en

(2)   vanwege de ernst van zijn uitingen B een verbod om in de toekomst vergelijkbare uitlatingen te doen.

B mocht dus geen uitspraken van deze strekking meer plaatsen op Facebook, Hyves, Blogspot of vergelijkbare sociale media.

Aanhoudende overtreding op een publiek toegankelijk profiel

B hield zich echter niet aan dit vonnis. Zo had hij verzuimd om binnen de opgelegde termijn onrechtmatige uitlatingen te verwijderen op zijn Hyves-pagina. A besloot daarom opnieuw naar de rechter te stappen, waarbij A vordert dat de rechtbank B verbiedt om voor een periode van één jaar gebruiker/beheerder van een social media profiel te zijn en daarbij te bepalen dat het vonnis in de plaats zal treden van alle handelingen van B die noodzakelijk zijn voor het doen verwijderen van al zijn social media profielen, waaronder die op Hyves en Facebook. Ook vordert A dat de voorzieningenrechter toestemming geeft om dit vonnis en ook de geboden/verboden uit het vonnis van 2 augustus 2012, door middel van lijfsdwang ten uitvoer te leggen en B te gijzelen totdat de teksten en afbeeldingen op de profielen zijn verwijderd of in ieder geval voor drie dagen. B verweerde zich door te stellen dat zijn sociale mediaprofiel privé is en niet als publiek toegankelijk geldt. Aangezien zijn uitspraken echter te vinden waren door via Google te zoeken op naam van A, ziet de rechtbank het profiel als openbaar/publiekelijk. 

Verdergaande maatregelen gerechtvaardigd

Op 4 december 2012 wijst de rechtbank vonnis. Daarin stelt de rechtbank vast dat B zich niet heeft gehouden aan de bij vonnis van 2 augustus 2012 opgelegde verboden en oordeelt daarom dat verdergaande maatregelen nu op zijn plaats zijn. B krijgt van de rechter een ‘Facebook’-verbod en ‘Hyves’-verbod: nog breder zelfs, het wordt hem zoals gevorderd een jaar lang verboden actief te zijn op (gebruiker danwel beheerder te zijn van) sociale mediaprofielen.  B dient in dit kader binnen twee dagen al zijn sociale mediaprofielen te verwijderen. Omdat niet te verwachten is dat B hieraan zal meewerken, gaat de rechtbank nog een stap verder  door te oordelen dat: “A de mogelijkheid moet hebben de sociale mediaprofielen van B zelfstandig te (laten) verwijderen.” De rechtbank geeft A daarom een vervangende toestemming. Dit houdt in dat als B niet uit zichzelf de desbetreffende profielen verwijdert, A in zijn plaats contact mag opnemen met Facebook, Hyves etc. en de profielen kan laten verwijderen. Iets waar in beginsel de toestemming van B voor nodig is.

Commentaar

De strekking van deze veroordeling is duidelijk: B heeft een eerder vonnis genegeerd en bij de rechtbank het standpunt ingenomen dat hij niet van plan is mee te gaan werken aan veroordelingen. De rechtbank reageert hierop door vergaande maatregelen tegen zijn acties te treffen. Grote vraag is echter of de toewijzingen van de rechtbank praktisch uit te voeren zijn. Zal bijvoorbeeld een Amerikaanse onderneming als Facebook luisteren naar A en gevolg geven aan dit vonnis? Dit geldt voor alle aanbieders van sociale mediaprofielen, want daarbij komt nog dat B online gemakkelijk aliassen zou kunnen aanmaken zodat het voor A lastig wordt om aan te tonen dat het om een profiel gaat waarvoor zij de machtiging heeft dit te laten verwijderen. Mocht er wel naar A geluisterd worden, betekent dat dan dat A het komende jaar het internet in de gaten moet houden om ieder profiel waarvan zij vermoedt dat dit in gebruik is bij B te laten verbieden? Dat levert een uitgebreid kat en muis-spel op.

Afgezien van de praktische bezwaren is het echter zeer interessant dat een verbod op sociale media wordt uitgesproken. Het vrij strenge oordeel van de Rechtbank Amsterdam is ongetwijfeld gekleurd door de persoon en (ernstige) omstandigheden van B in deze zaak. Toch kun je je afvragen waar de grens dan precies moet liggen. Wanneer is de rechtbank bereid de rechten van de ene persoon zodanig in te perken ten behoeve van die van een ander? Met het verwijderen van profielen wordt B wellicht ook getroffen in zijn vrijheid van meningsuiting in uitspraken die niets met A te maken hebben. En zou de rechtbank ook bereid zou zijn zo´n verbod op te leggen wanneer een bedrijf door een particulier wordt zwartgemaakt of wanneer er sprake is van (online) smaad in een business to business  (B2B) verhouding?