De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Reconventionele vorderingen in hoger beroep

Reconventionele vorderingen in hoger beroep: bij uitzondering mogelijk?

De wet sluit het instellen van een reconventionele vordering in hoger beroep uit. In zijn recente arrest van 7 juli 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:5283) zet het Hof Arnhem-Leeuwarden de deur voor een uitzondering op deze regel echter op een kier.
Auteur artikel Robert Andes
Gepubliceerd 13 augustus 2020
Laatst gewijzigd 28 december 2020
Leestijd 

De reconventionele vordering

De gedaagde partij in een civielrechtelijke procedure hoeft zich niet te beperken tot het voeren van verweer. Zij kan ook een tegenaanval inzetten door op haar beurt een vordering tegen de (aanvankelijk) eisende partij in te stellen, een zogenaamde eis in reconventie (art. 136 Rv). Deze reconventionele vordering hoeft inhoudelijk niet in verband te staan met de conventionele vordering - de eis waarmee de procedure is begonnen. Zo kunnen twee zelfstandige procedures tussen dezelfde procespartijen worden gevoerd als één proces, veelal uitmondend in één uitspraak waarin de rechter zowel op de conventionele als op de reconventionele vordering beslist.

Géén reconventionele vordering in hoger beroep

De wet bepaalt dat een eis in reconventie niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld (art. 353 lid 1 Rv). De achterliggende gedachte is dat het hoger beroep zich alleen uitstrekt tot geschillen die aan de rechter in eerste aanleg zijn voorgelegd. Daarbij past het niet dat de geïntimeerde - de verweerder in appel - via een reconventionele vordering een nieuw geschil kan aanboren. Bovendien zou de partij die pas in hoger beroep met een reconventionele vordering geconfronteerd wordt, een instantie worden ontnomen.

De onderhavige uitspraak

De hier te bespreken uitspraak is een nieuwe episode in een langlopende procedure tussen een grondbezitter als (aanvankelijk) appellant en een Waterschap als (aanvankelijk) geïntimeerde. Het arrest leest als een bloemlezing van allerhande procesrechtelijke complicaties. Om te beginnen heeft het Waterschap incidenteel hoger beroep ingesteld. Tijdens de procedure heeft de grondbezitter een deel van zijn perceel overgedragen aan een rederij, die vervolgens als derde in de procedure is opgeroepen op grond van art. 118 Rv. Daarna heeft het Waterschap via een eiswijziging ook een vordering tegen de rederij ingesteld. Daarop heeft de rederij gereageerd door, als procesrechtelijke kers op de taart, een reconventionele vordering in te stellen - in hoger beroep dus.

Het hof overweegt dat een reconventionele vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld, maar voegt daaraan toe dat uitzonderlijke omstandigheden een uitzondering op die regel kunnen rechtvaardigen. De appelrechter laat - helaas - in het midden of daarvan ook sprake is. Hij constateert namelijk dat de rederij hoe dan ook geen belang bij haar eis in reconventie heeft.

Zijn uitzonderingen mogelijk?

Het hof komt dus niet toe aan een antwoord op de vraag of een uitzondering op art. 353 Rv in het onderhavige geval gerechtvaardigd was. Uit het onderliggende procesverloop valt echter wel te destilleren op welke uitzonderlijke omstandigheden het hof zinspeelt. Belangrijk is dat de rederij pas in hoger beroep in de procedure werd betrokken. Art. 353 Rv gaat ervan uit dat tussen de procespartijen reeds een debat in eerste aanleg heeft plaatsgevonden, maar in dit (uitzonderlijke) geval was daar dus geen sprake van. Bovendien zag de rederij vanwege de eiswijziging door het Waterschap direct een vordering tegen zich gericht worden. Daarmee werd juist de rederij een instantie ontnomen - en niet in de eerste plaats het Waterschap als partij tegen wie de reconventionele vordering gericht was. Tot slot zag de reconventionele eis van de rederij niet op een totaal ander geschil, maar juist op het feitencomplex waarover het hof zich toch al moest buigen.

Dit alles bij elkaar optellend valt te betogen dat de ratio van art. 353 Rv zich in het onderhavige geval niet tegen de reconventionele vordering in hoger beroep verzette. De suggestie van het hof dat onder dergelijke omstandigheden een reconventionele vordering in appel toch toelaatbaar kan zijn, is in zoverre goed te verdedigen. Tegelijk rijst de vraag of naar huidig recht wel ruimte bestaat voor uitzonderingen op de regel van art. 353 Rv. De wettekst lijkt die ruimte niet te bieden en ook in de jurisprudentie is een uitzondering niet eerder aanvaard. Integendeel. Zo benadrukte het Amsterdamse gerechtshof in 2016 nog dat het verbod op het instellen van reconventionele vorderingen in hoger beroep géén uitzonderingen kent.

Conclusie

Het Hof Arnhem-Leeuwarden zet de deur op een kier voor reconventionele vorderingen in appel. Dat is goed te verdedigen, gelet op de bijzondere omstandigheden uit de onderliggende procedure. Toch is de vraag of het huidige recht wel uitzonderingen toelaat op de op zichzelf duidelijke regel uit art. 353 Rv. Het is dan ook niet uitgesloten dat de door het hof voorzichtig opengezette deur in cassatie weer op slot wordt gegooid als deze kwestie aan ons hoogste rechtscollege wordt voorgelegd. Het is voor de rechtsontwikkeling te hopen dat partijen met het hier besproken arrest in de hand proberen vaker een reconventionele vordering in hoger beroep in te stellen, zodat de Hoge Raad spoedig uitsluitsel kan bieden.

Heeft u een civiele appel- of cassatiezaak waar u ondersteuning bij nodig heeft, of heeft u procesrechtelijke vragen, neem dan contact op met een van de leden van het cassatie- en procesrechtteam van Dirkzwager Legal & Tax: Tom van Malssen (cassatieadvocaat), Margo Hengeveld of Robert Andes.