Zoeken
  1. Wanneer is bewijsbeslag mogelijk bij schending van bedrijfsgeheimen?

Wanneer is bewijsbeslag mogelijk bij schending van bedrijfsgeheimen?

Wat is de maatstaf voor het kunnen leggen van bewijsbeslag bij gestelde onrechtmatige verkrijging en gebruik van bedrijfsgeheimen, en het inzien van beslagen stukken? Beantwoording van deze vraag is wezenlijk voor iedere onderneming die wenst te vernemen wat er mogelijk is als ex-werknemers, zakenrelaties of concurrenten die aan de haal gaan met know how, recepten of andere bedrijfsvertrouwelijke informatie. De Hoge Raad heeft op 28 september 2018 een aantal belangrijke regels gegeven hierover.
Artikel | 10 oktober 2018 | Joost Becker

Bescherming van bedrijfsgeheimen

Bedrijfsgeheimen zijn beschermd onder bepaalde omstandigheden, tegen onrechtmatige verkrijging of hergebruik ervan. Het kan gaan om know how, recepten of andere bedrijfsvertrouwelijke informatie. De Richtlijn Bedrijfsgeheimen geeft hieromtrent nadere regels.

In de zaak waarover de Hoge Raad moest oordelen, ging het om gestelde bedrijfsgeheimen van Dow met betrekking tot opaque polymeren (om lichtreflectie waardes van verf te kunnen verhogen).

Bewijsbeslag en inzage

Het eerste juridische instrument om het onrechtmatige hergebruik van bedrijfsgeheimen te kunnen bewijzen, is dat bewijs daarvan eerst kan worden veiliggesteld via een bewijsbeslag. Dat beslag strekt ertoe bewijsmiddelen veilig te stellen, zodat ze niet vernietigd kunnen kunnen worden. Daarop dient vervolgens een procedure aanhangig gemaakt te worden waarin inzage in de beslagen stukken kan worden geëist.

Hoe concreet moet een bedrijfsgeheim zijn omschreven door de eiser?

De eerste vraag die de Hoge Raad in deze zaak beantwoordt, is hoe concreet een bedrijfsgeheim gesteld of omschreven moet worden door de eiser, wil hij met succes beslagmaatregelen kunnen treffen (en de beslagen stukken kunnen inzien om zo definitief vast te kunnen stellen dat het bedrijfsgeheim is gekopieerd).

Dit is van belang omdat er juridisch gezien een "rechtsbetrekking" nodig is. Daarvoor moet de eisende partij zodanige feiten en omstandigheden stellen en met reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwen dat een rechtsbetrekking voldoende aannemelijk is, en dat er een redelijk vermoeden van zo'n rechtsbetrekking is.

Meer concreet: het onrechtmatig verkrijgen en/of hergebruiken van bedrijfsgeheimen geeft aanleiding om beslag op materialen van de aangevallen partij toe te staan en die materialen in te zien. Dat kan bij een gegrond vermoeden. Zo kan de eisende partij uiteindelijk ook bewijzen dat sprake is van schending van diens bedrijfsgeheim.

Hier zit een spanningsveld, ook omdat de eisende partij (mogelijk) niet de gehele know how wil inbrengen in de procedure. Hoe concreet moet de eiser zijn in het stellen van diens bedrijfsgeheim, en de schending daarvan?

Volgens de Hoge Raad:

"De Hoge Raad heeft in HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304, NJ 2016/491, rov. 4.1.5 (AIB/Novisem), en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834, NJ 2017/22, rov. 3.2.1-3.2.2 (Synthon/Astellas), een maatstaf gegeven voor het aannemen van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv. Die maatstaf leent zich ook voor toepassing op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, alhoewel de art. 1019 e.v. Rv daarop niet van toepassing zijn. Dat betekent dat ook in dat geval degene die inzage, afgifte of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, zodanige feiten en omstandigheden dient te stellen en met reeds voorhanden bewijsmateriaal dient te onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat bedrijfsgeheimen onrechtmatig zijn verkregen en gebruikt.

Overeenkomstig de hiervoor bedoelde arresten geldt ook in dit verband dat de vraag wat in het kader van een vordering uit hoofde van art. 843a Rv bij (gesteld) onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen gebaseerde (verbods)vordering."

Wat zijn de omstandigheden?

De Hoge Raad acht dus de omstandigheden van het geval relevant.

Ervan uitgaande dat voldoende aannemelijk is dat de eisende partij (Dow) de beschikking heeft over beschermenswaardige bedrijfsgeheimen, zijn in het voorliggende geval  de volgende omstandigheden aan de orde(de strijdende partijen zijn Dow en Organik):

  1. In het voorliggende geval ging het om twee voormalig werknemers die met kennis van de bedrijfsgeheimen van Dow voor Organik hebben gewerkt.
  2. Organik heeft nadien een producten op de markt gebracht "die op essentiële eigenschappen sterk overeenstemmen" met die van Dow. Voldoende aannemelijk is dat het praktisch onmogelijk is om producten met die eigenschappen te produceren zonder kennis van de betreffende bedrijfsgeheimen.
  3. De aannemelijkheid van de schending van de bedrijfsgeheimen wordt ondersteund door het feit dat de twee voormalig werknemers bewijsmateriaal verloren hebben laten gaan. Daarvoor heeft Organik geen geloofwaardige verklaring gegeven. Zo is niet in geschil dat er harde schijven waren verwijderd en vernield door de ene werknemer ("met een hamer stuk heeft geslagen en bij het afval heeft gegooid"). Ook onbestreden is dat de andere voormalig werknemer, meer dan 2.700 bestanden van een laptop heeft verwijderd en vervolgens, na de inspectie, de laptop en ten minste twintig gegevensdragers heeft verloren. Na forensische inspectie was er op een andere gegevensdrager 190 gigabyte aan opslagruimte overgeschreven op die laptop, door ten minste 108 maal de program files folder te kopiëren, waarbij de klok zodanig is verzet dat het leek alsof de program files veel eerder waren gecreëerd, en dat Organik vervolgens het programma CCleaner, dat bekendstaat als datavernietigingsinstrument, op die laptop laten draaien. En "Via forensische inspectie is gebleken dat op die laptop documenten opgeslagen waren met de namen ‘OldRh’, ‘ORGAWHITE’ en ‘OPAC 204x’. Die namen wijzen erop dat de documenten informatie zouden kunnen bevatten die relevant was voor de ICT-procedure en de onderhavige procedure."

Op basis van het voorgaande en de verklaringen hierover van Organik, wordt geoordeeld dat Organik "niet de indruk heeft kunnen wegnemen dat zij en de hiervoor genoemde voormalige werknemers van Dow hebben gepoogd bewijsmateriaal van de schending van bedrijfsgeheimen te laten verdwijnen."

Definitieve vaststelling van schending bedrijfsgeheimen vereist?

Dow wil dus de beslagen stukken inzien om de juridische procedure tegen Organik verder te kunnen doorzetten. Is definitieve vaststelling van de schending van het bedrijfsgeheim hiervoor vereist?

De Hoge Raad oordeelt hierover dat 'weliswaar nog niet derfinitief kan worden vastgesteld dat daadwerkelijk sprake is geweest vsn eren schending van bedrijfsgeheimen met betrekking tot de opaque plymeren, maar dat een dergelijke definitieve vaststelling niet is vereist voor toewijzing van de inzagevordering van art. 843a Rv'. De hiervoor besproken feiten en omstandigheden en het bewijsmateriaal ter onderbouwing daarvan volstaan in dit geval.

Waarborg van vertrouwelijkheid?

Organik voert aan dat de vertrouwelijkheid van haar eigen bedrijfsvertrouwelijke informatie ook geborgd moet zijn, indien inzage in de beslagen stukken wordt toegestaan. Hiermee wordt volgens de uitspraak voldoende rekening gehouden:

"Overigens heeft het hof overwogen dat de nadere specificatie slechts wordt gebruikt om zoveel mogelijk te voorkomen dat in het kader van de uitvoering van de inzage, vertrouwelijke informatie van Organik aan Dow wordt prijsgegeven (rov. 4.75). Daarmee heeft het hof – zoals ook al hiervoor overwogen in 5.1.4 – een waarborg gegeven voor de bescherming van vertrouwelijke informatie en binnen toelaatbare grenzen gebruikgemaakt van de bevoegdheid die art. 843a lid 2 Rv hem toekent om zo nodig de wijze te bepalen waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft."

Gedetailleerde beschrijving is mogelijk ten gunste van de eiser

Tijdens het beslag had Dow als eiser ook een gedetailleerde beschrijving laten opstellen van de productieprocessen van Organik, naast het gelegde bewijsbeslag. Organik klaagt dat dit nooit had mogen gebeuren. De Hoge Raad is het hier niet mee eens. Beschrijving moet mogelijk zijn, ook in zaken waarin de gedaagde partij wordt beschuldigd van schending van bedrijfsgeheimen:

"6.2.3 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de gedetailleerde beschrijving is te beschouwen als een variant van het bewijsbeslag. Zij is bovendien gekenschetst als een minder ingrijpend alternatief voor een bewijsbeslag, dat hetzelfde doel kan realiseren. De keuze van een maatregel dient geleid te worden door overwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Kamerstukken II 2005/06, 30392, nr. 3, p. 12 en p. 20-21)

6.2.4 In zijn hiervoor in 6.1.2 genoemde prejudiciële uitspraak van 13 september 2013 (Molenbeek) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wet voldoende grondslag biedt voor het leggen van een bewijsbeslag ook in niet-IE-zaken. De gedetailleerde beschrijving is volgens de hiervoor in 6.2.3 genoemde parlementaire toelichting een variant van het bewijsbeslag en een alternatief daarvoor. Zij kan tot bewijs dienen van stellingen die met andere middelen niet altijd bewezen kunnen worden.

Voorts wordt in het onlangs gepubliceerde voorontwerp van wet tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht, de gedetailleerde beschrijving opengesteld voor alle soorten zaken (zie de toelichting op het voorontwerp, p. 56).

Het vorenstaande is grond om de gedetailleerde beschrijving reeds nu toelaatbaar te achten in gevallen die voldoende gelijkenis vertonen met gevallen waarop de regeling van art. 1019 e.v. Rv van toepassing is, zoals bij de schending van bedrijfsgeheimen.

6.2.5 De keuze voor de gedetailleerde beschrijving dient te worden geleid door overwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit. Art. 1019a leden 1 en 3 Rv, art. 1019b leden 2, 3 en 4 Rv en art. 1019d lid 1 Rv zijn, voor zover nodig, overeenkomstig van toepassing.

Voorts gelden de voorwaarden die volgens de hiervoor in 6.1.2 genoemde prejudiciële uitspraak van 13 september 2013 (Molenbeek) in acht moeten worden genomen bij het leggen van een bewijsbeslag, op overeenkomstige wijze voor de gedetailleerde beschrijving, met dien verstande dat de gedetailleerde beschrijving niet alleen betrekking kan hebben op bescheiden in de zin van art. 843a Rv, maar zich ook kan uitstrekken tot inbreukmakende roerende zaken en bij de productie daarvan gebruikte materialen, werktuigen en productieprocessen.

Ten slotte verdient opmerking dat het rechterlijke verlof tot het laten opstellen van een gedetailleerde beschrijving geen verdergaande aanspraken geeft dan het laten opstellen daarvan; noch dit verlof, noch het laten opstellen van de beschrijving geeft de verzoeker recht op afgifte, inzage of afschrift. De verzoeker ontleent aan het verlof ook niet het recht om bij het opstellen van de gedetailleerde beschrijving aanwezig te zijn (art. 1019d Rv in verbinding met art. 443 lid 2 Rv)."

Kortom, toelaatbaar is dat er tijdens het beslag ook een gedetailleerde beschrijving van productieprocessen wordt opgemaakt, ook weer met als doel om gesteld onrechtmatig gebruik van bedrijfsgeheime informatie te kunnen bewijzen.

Conclusies

Dit is een belangrijk arrest, om meerdere redenen. De Hoge Raad stelt geen hoge lat voor het specificeren van het (hebben van een) bedrijfsgeheim. Daarnaast hoeft slechts voldoende aannemelijk te worden geacht dat sprake is van schending van een bedrijfsgeheim. Niet is vereist dat er daadwerkelijk sprake is (of definitief vaststaat) dat het bedrijfsgeheim wordt geschonden. Ten slotte is het mogelijk in zaken over bedrijfsgeheimen een gedetailleerde beschrijving op te laten maken van de productieprocessen bij de gedaagde partij. Het arrest leest als een handreiking aan de houders van bedrijfsgeheimen.

 

Joost Becker, advocaat intellectuele eigendomsrecht