Zoeken
  1. Werkgeversaansprakelijkheid bij blootstelling aan gevaarlijke stoffen

Werkgeversaansprakelijkheid bij blootstelling aan gevaarlijke stoffen

De Hoge Raad heeft op 7 juni 2013 een arrest (LJN BZ1721) gewezen met betrekking tot een werkgeversaansprakelijkheid wegens blootstelling aan gevaarlijke stoffen.Feiten en omstandighedenEen (onderhouds)schilder raakt in 2000 arbeidsongeschikt vanwege nierbekken- en longkanker. Hij stelt zijn werkgever op grond van artikel 7:658 BW hiervoor aansprakelijk. De ziekte is volgens de schilder terug te voren op de gevaarlijke stoffen waaraan hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgeste...
Auteur artikelSanne Rutten (uit dienst)
Gepubliceerd14 juni 2013
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
De Hoge Raad heeft op 7 juni 2013 een arrest (LJN BZ1721) gewezen met betrekking tot een werkgeversaansprakelijkheid wegens blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

Feiten en omstandigheden

Een (onderhouds)schilder raakt in 2000 arbeidsongeschikt vanwege nierbekken- en longkanker. Hij stelt zijn werkgever op grond van artikel 7:658 BW hiervoor aansprakelijk. De ziekte is volgens de schilder terug te voren op de gevaarlijke stoffen waaraan hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld. Na het overlijden van de schilder zetten zijn vrouw en dochter de claim door.

De vraag die in deze kwestie met name centraal staat, is de vraag of de ziekte van de schilder is veroorzaakt door blootstelling aan kankerverwekkende stoffen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Een deskundige die door de kantonrechter was benoemd heeft over deze vraag gerapporteerd. Hieruit kwam naar voren dat schilders 20% meer kans hebben op blaaskanker en 20 tot 50% meer kans op longkanker. De kantonrechter wijst de vorderingen af. Het hof wijst de vorderingen in hoger beroep uiteindelijk toe.

De werkgever is tegen dat oordeel in cassatie gegaan.

De cassatieprocedure

De arbeidsrechtelijke omkeringsregel

In beginsel dient de werknemer te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij werkzaamheden onder schadelijke omstandigheden heeft moeten verrichten en dat zijn klachten daar een gevolg van zijn. In bepaalde gevallen wordt een vermoeden aangenomen dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Vergelijk het arrest Unilever/Dikmans (17 november 2000, LJN AA8369).

In de onderhavige zaak was de vraag aan de orde welke mate van aannemelijkheid is vereist dat de arbeidsomstandigheden schadelijk kunnen zijn geweest voor de gezondheid van de schilder en dat de klachten van de schilder hierdoor kunnen zijn veroorzaakt. Het hof oordeelde dat voor het aannemen van het hiervoor bedoelde vermoeden geen ondergrens bestaat. Hiertegen richt zich ook één van de cassatiemiddelen.

De Hoge Raad is het niet eens met het oordeel van het hof en oordeelt dat het hof ten onrechte het vermoeden heeft aangenomen dat de omstandigheden waarin de schilder zijn werkzaamheden heeft verricht zijn klachten heeft kunnen veroorzaken. De Hoge Raad oordeelt dat voor dit vermoeden geen plaats is in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is, zoals in deze zaak het geval is geweest. De klacht slaagt derhalve. 

Schending van de zorgplicht

In cassatie wordt ook geklaagd over het oordeel van het hof dat de werkgever haar zorgplicht heeft geschonden. Het hof had zijn oordeel over de zorgplichtschending gebaseerd op vakliteratuur en publicaties uit de periode rond 1990. De werkgever had volgens het hof rekening moeten houden met de gevaren die toen al waren verbonden aan gevaarlijke stoffen.  De Hoge Raad acht de cassatieklacht dat het hof hiermee is uitgegaan van een te vaag en algemeen gevaar gegrond:

Het hof heeft weliswaar met juistheid geoordeeld dat het enkele feit dat tot 1990 het gevaar van kanker door blootstelling aan verf en oplosmiddelen niet kenbaar was, nog niet doorslaggevend is, maar zijn oordeel dat uit de aangehaalde vakliteratuur en het Publicatieblad P-139 volgt dat [eiseres] bekend behoorde te zijn met "de gevaren verbonden aan de blootstelling aan gevaarlijke stoffen", en dat zij - zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld - op die grond maatregelen had moeten treffen dan wel instructies had moeten geven die hadden bijgedragen tot de beperking van die gevaren, is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Het hof heeft - in het licht van de door [eiseres] aangevoerde omstandigheden, zoals hiervoor in 4.2.1 samengevat - nagelaten te vermelden welke zorgplicht [eiseres] naar zijn oordeel heeft geschonden en welke maatregelen zij had moeten nemen, of welke instructies zij had moeten geven, en het heeft aldus zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

Proportionele aansprakelijkheid

De laatste klacht ziet op de verwerping van het hof van het door de werkgever subsidiair gedane beroep op HR 31 maart 2006, LJN AU6092 (Nefalit/Keramus). Het klaagt onder meer dat tot de omstandigheden die tot een vermindering van de vergoedingsplicht van de werkgever op de voet van art. 7:658 BW kunnen leiden in beginsel alle omstandigheden behoren die voor de werkgever buiten de sfeer van de werkzaamheden liggen. Ook deze klacht slaagt volgens de Hoge Raad:

Onder een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt wordt in een geval als het onderhavige verstaan een buiten de uitoefening van de werkzaamheden gelegen omstandigheid die aan de werknemer moet worden toegerekend, zoals roken, genetische aanleg, veroudering of van buiten komende oorzaken. Die laatste drie omstandigheden kunnen de werknemer weliswaar niet worden verweten, maar komen in de verhouding tot de werkgever voor zijn risico (vgl. HR 31 maart 2006, rov. 3.13). Het hof heeft dit miskend. De klacht slaagt derhalve.

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het hof ’s-Hertogenbosch.