De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Zorgplicht bank bij afwijzing kredietaanvraag ex-partner tijdens scheiding?

Zorgplicht bank bij afwijzing kredietaanvraag ex-partner tijdens scheiding?

Vanwege een scheiding worden vijf panden van de echtgenoten onder elkaar verdeeld. Daarbij hebben beide ex-partners ook een (nieuwe) financiering van de bank nodig. Heeft de bank een zorgplicht om een scheidend partner tijdig op de hoogte te stellen als de financiering voor de ex-partner wordt afgewezen? Deze vraag heeft het Hof Den Bosch in een recente zaak met 'nee' beantwoord.
Auteur artikel Rick Sanders
Gepubliceerd 29 maart 2020
Laatst gewijzigd 30 maart 2020
Leestijd 

Wat is er gebeurd?

Twee partners waren getrouwd in gemeenschap van goederen. Tot de huwelijksgemeenschap behoorden één echtelijke woning en vier beleggingspanden. Voor de echtelijke woning en drie beleggingspanden hadden zij hypothecaire leningen afgesloten. Daarnaast hadden de partners ook een krediet in rekening-courant.

Vanaf 22 augustus 2009 wordt een echtscheidingstraject in gang gezet. Ondertussen ontstonden er betalingsachterstanden op de rekening-courant, waardoor de kredietlimiet is overschreden. Voor de diverse achterstanden worden partijen regelmatig aangemaand.

In het echtscheidingsconvenant van 21 juni 2010 werden drie panden met de bijbehorende leningen toegedeeld aan meneer, de andere twee panden plus leningen aan mevrouw. Daarnaast werd de rekening-courant in helften gedeeld. Dit was op voorwaarde dat de ex-partners door de bank zouden worden ontslagen in hun verplichtingen voor het deel van de ander. De ex-partners wilden de vastgoedportefeuille te ontvlechten en de rekening-courant te splitsen.

Daartoe hebben beide ex-partners ieder een financieringsaanvraag bij de bank ingediend voor zijn/haar deel van de verdeling. De bank behandelde deze aanvragen als verzoeken tot herfinanciering en heeft het gebruikelijke beoordelingstraject gevolgd. Zo heeft de bank onderzocht of de leningen passend en betaalbaar waren (c.q. of de aanvrager kredietwaardig is).

Uiteindelijk ontving meneer op 16 juli 2010 van de bank een offerte, onder ontslag van mevrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de bestaande schuld en met de voorwaarde dat meneer niet langer hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de schulden van mevrouw.

Op 23 juli 2010 werd de rekening-courant van de ex-partners vanwege de achterstanden opgeëist. Op 15 oktober 2010 belde meneer naar de bank; op dat moment zei de bank dat de splitsing van de rekening-courant afhankelijk is van de goedkeuring van de afdeling kredieten van de bank.

Later in oktober 2010 wordt de financieringsaanvraag van mevrouw afgewezen, omdat zij een te laag inkomen had om de financieringslasten te dragen. Op 2 maart 2011 wordt de echtscheiding van de ex-partners uitgesproken.

Hoewel de scheiding dus was uitgesproken, waren de afspraken uit de echtscheidingsconvenant nog niet afgerond. De achterstanden op de leningen bleven voortduren. De bank stelde daarom op 10 augustus 2011 voor om de financiering te wijzigen, zodat de aflossingsverplichtingen tijdelijk werden opgeschort. De ex-partners dienden wel de rente te voldoen en geen nieuwe achterstanden te laten ontstaan. De bank verbond aan dit voorstel een voorbehoud dat de fiatterende instantie binnen de bank goedkeuring verleent. De bank vroeg tevens (inkomsten)informatie op van de ex-partners voor de beoordeling van de betaalbaarheid.

Op 12 augustus 2011 werden de hypothecaire leningen opgeëist. Omdat beide ex-partners geen betalingen verrichtten na opeising van de diverse kredieten, ging de bank over tot uitwinning van haar zekerheden. Dit betekende uiteindelijk dat de bank de echtelijke woning en de beleggingspanden in het openbaar veilde.

Mevrouw ging uiteindelijk failliet en meneer kwam in de schuldsanering terecht.

Wat is de klacht van de appellant in hoger beroep?

De appellant (meneer) klaagt over diverse onderwerpen in hoger beroep. Voor zover relevant stelt meneer dat de bank in strijd met haar zorgplicht heeft nagelaten hem tijdig ervan op de hoogte te stellen dat zij de kredietaanvraag van mevrouw had afgewezen. Indien de bank dit wel had gedaan, zou hij maatregelen hebben kunnen nemen die openbare verkoop van de vastgoedportefeuille geheel of gedeeltelijk hadden kunnen voorkomen, met name door met mevrouw tot een andere verdeling van de panden te komen. De bank heeft meneer echter in de waan gelaten dat het met de kredietaanvraag in orde zou komen.

Wat vindt het Hof van deze klacht?

Het Hof stelt voorop dat de bank geen zorgplicht jegens meneer had als zijn adviseur of opdrachtnemer. De bank was namelijk alleen de wederpartij in de kredietovereenkomsten. Dat de banken wilde meewerken aan de splitsing van de panden en financiering, maakte de bank nog niet tot de adviseur of opdrachtnemer van appellant.

Uit hoofde van de bestaande kredietrelatie bestond er volgens het Hof ook geen zorgplicht om appellant te informeren over het afwijzen van de kredietaanvraag van mevrouw. Het Hof vindt hierbij de volgende omstandigheden van belang.

Meneer wist dat het herfinancieren vanwege de echtscheiding afhankelijk was of hij en mevrouw allebei een eigen afzonderlijke financiering zouden kunnen krijgen. Dit lag besloten in het echtscheidingsconvenant en de bank had hier herhaaldelijk op gewezen.

Uit de berichten die de bank aan meneer stuurde na het sluiten van de echtscheidingsconvenant, was voor meneer duidelijk dat mevrouw niet aan haar verplichtingen jegens de bank voldeed, dat achterstanden opliepen en maatregelen werden voorbereid. De bank hoefde dus niet te begrijpen dat meneer in de waan verkeerde dat de kredietaanvraag van mevrouw was of zou worden goedgekeurd. Daarnaast heeft de bank op 10 augustus 2011 bevestigd dat er nog geen krediettoezegging was. De bank hoefde hier dus niet nogmaals op te wijzen. Ook blijkt het dit bericht dat de bank nadere informatie voor de krediettoetsing nodig had en nog geen goedkeuring had van de fiatterende instantie binnen de bank. Een goedkeuring van de bank bleef vervolgens uit.

Conclusie

Het Hof bepaalt dat er in deze zaak geen sprake was van advisering of opdrachtnemerschap door de bank. Uit die omstandigheden kon dus geen zorgplicht worden ontleent.

Uit de huidige kredietrelatie volgde in dit geval ook geen zorgplicht, omdat de bank nimmer de aanleiding had om aan te nemen dat meneer ervan uitging dat zijn ex-partner een krediettoezegging had of zou krijgen en dus evenmin de aanleiding om appellant erop te wijzen dat de aanvraag was afgewezen.

Dat wil niet zeggen dat de bank nooit een zorgplicht heeft om een kredietnemer te informeren. Zo gelden er bijvoorbeeld wel zorgplichten bij margin calls en beleggingen. Laat u daarom goed adviseren door een specialist van Dirkzwager, die op grond van de feiten in uw dossier bepaalt welke verplichtingen de bank jegens u heeft.

Het arrest kunt u hier lezen. Hierin treft u het volledige feitenkader, en alle grieven die door de appellant zijn gesteld.