Zoeken
  1. Opzegging van duurovereenkomsten en de redelijkheid en billijkheid

Opzegging van duurovereenkomsten en de redelijkheid en billijkheid

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 NJ 2018/98) worden de overwegingen van de Hoge Raad over de opzegbaarheid van duurovereenkomsten besproken. Hoe moet de onderhavige beëindingsclausule beschouwd worden? Wat is het onderscheid tussen duuroverkomsten voor onbepaalde tijd en kunnen partijen de rol van redelijkheid en billijkheid wegcontracteren?
Publicatie | 26 september 2018 | Annet van Duijn | Verschenen in: Contracteren 2018, afl. 3

Op 2 februari 2018 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin hij een overzicht geeft van zijn jurisprudentie over de opzegbaarheid van duurovereenkomsten en de (aanvullende en beperkende) rol van de redelijkheid en billijkheid daarin.

In dit artikel worden de – algemeen geformuleerde – overwegingen van de Hoge Raad over de opzegbaarheid van duurovereenkomsten besproken en wordt deze in de vorm van een matrix weergegeven.

Ook is er aandacht voor de vraag hoe de onderhavige beëindigingsclausule beschouwd moet worden. Biedt de beëindigingsclausule een contractuele opzeggingsmogelijkheid? Of geeft zij juist een nadere invulling aan de wettelijke ontbindingsregeling?

Omdat de Hoge Raad zijn arrest toespitst op duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd, terwijl in dezen een overeenkomst voor de duur van 15 jaar was gesloten, wordt ook stilgestaan bij het onderscheid tussen duurovereenkomsten voor bepaalde en voor onbepaalde tijd, mede in het licht van de hybride varianten die in de praktijk voorkomen.

Tot slot wordt ingegaan op de vraag of partijen de (aanvullende en beperkende) rol van de redelijkheid en billijkheid kunnen wegcontracteren.

 

Download publicatie