Zoeken
  1. Kamervragen financiële compensatie bij slechte weersomstandigheden

Kamervragen over financiële compensatie bij slechte weersomstandigheden

Op 13 april 2018 heeft Kamerlid Dijkstra vragen gesteld aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de verschuldigdheid van financiële compensatie bij slechte weersomstandigheden. In dit artikel bespreekt Joanne Houwers de uitspraak die tot deze vragen hebben geleid.
Auteur artikelJoanne Houwers
Gepubliceerd05 juni 2018
Laatst gewijzigd05 juni 2018
Leestijd 

Op 13 april 2018 heeft Kamerlid Dijkstra vragen gesteld aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de verschuldigdheid van financiële compensatie bij slechte weersomstandigheden. Aanleiding hiervoor is het artikel in het Haarlems Dagblad van 10 april 2018. In dit artikel wordt een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam besproken, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat een luchtvaartmaatschappij gehouden is tot vergoeding van financiële compensatie ondanks het feit dat zij als gevolg van slechte weersomstandigheden in opdracht van de luchtverkeersleiding een aantal vluchten – waaronder de vlucht in kwestie – moest annuleren. 

Verordening 261/2004

Passagiers van een vlucht hebben op grond van Verordening 261/2004 (hierna: de Verordening) recht op compensatie bij annulering of vertraging. Een luchtvaartmaatschappij is niet verplicht om deze compensatie te betalen indien sprake is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

Buitengewone omstandigheden

Uit overweging 14 van de Verordening blijkt dat buitengewone omstandigheden zich voordoen bij weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen. Uit overweging 15 van de verordening volgt dat wordt geacht sprake te zijn van een buitengewone omstandigheid wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer een annulering of vertraging van het vliegtuig veroorzaakt, ondanks inspanningen van de luchtvaartmaatschappij om annulering of vertraging te voorkomen.


Het oordeel van de rechter

Graag licht ik de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam toe. Als gevolg van voorspelde slechte weersomstandigheden kondigt de lokale luchtverkeersleiding een capaciteitsreductie af, waardoor de baancapaciteit afneemt. Aangezien ook sprake is van onderhoud aan de Kaagbaan, kan er van minder landingsbanen gebruik worden gemaakt. Hierdoor wordt de luchtvaatmaatschappij gedwongen vluchten te annuleren, waaronder de vlucht in kwestie. Als gevolg hiervan komen de passagiers 24 uur later op hun eindbestemming aan en vorderen financiële compensatie. De luchtvaartmaatschappij voert als verweer dat sprake was van buitengewone omstandigheden, omdat de impact van een beslissing van de luchtverkeersleiding een langdurige vertraging of annulering voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag tot gevolg heeft gehad. De kantonrechter oordeelt echter dat geen sprake is van een buitengewone omstandigheid en overweegt hiertoe:


“12. […] Onderdeel 14 van de considerans maakt echter melding van “weeromstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen”. Die expliciete formulering duidt erop dat de weersomstandigheid zich moet hebben voorgedaan bij de vlucht in kwestie. Onderdeel 15 van de considerans bepaalt dat van een buitengewone omstandigheid sprake is wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifieke vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt. In onderhavig geval betrof het besluit van de LVNL een algemene capaciteitsreductie en betrof niet specifiek vlucht KL 1699 op 20 maart 2017, zodat geen sprake is van een buitengewone omstandigheid.”


Volgens de rechtbank was (dus) geen sprake van buitengewone omstandigheden, omdat de luchtverkeersleider de luchtvaartmaatschappij niet verplicht had de specifieke vlucht te annuleren.
De Rechtbank Noord-Holland kwam in januari jl. in twee zaken tot een soortgelijk oordeel. Zo oordeelde de rechtbank in de eerste zaak als volgt:


 “Een beperking van het aantal vliegbewegingen per uur impliceert dat er ondanks het weer wel vliegtuigen konden vertrekken vanaf luchthaven Schiphol. Dat Air France de vlucht heeft geannuleerd is dan ook een operationele keuze geweest. Niet is komen vast te staan dat de vlucht in kwestie niet mocht vertrekken”.


In de andere zaak oordeelde de Rechtbank Noord-Holland:


“Deze algemene beperkingen opgelegd door de luchtverkeersleiding zijn naar het oordeel van de kantonrechter inherent aan het voeren van een luchtvaartonderneming en kunnen dan ook niet doorwerken op een opvolgende vlucht. Bovendien is het bij een beperking van het aantal vluchten door de luchtverkeersleiding een operationele keuze van Easyjet welke vluchten doorgaan en welke vluchten niet.”


Het is de vraag of de lijn die in de jurisprudentie wordt aangehouden ook daadwerkelijk de bedoeling is van de Verordening. De Verordening geeft (slechts) als vereiste dat de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat een buitengewone omstandigheid verband houdt met de annulering of vertraging en dat de luchtvaartmaatschappij alle redelijke maatregelen heeft genomen om een annulering of vertraging te voorkomen. Dit volgt ook uit de toelichting van de Commissie bij de Verordening. Tevens wordt volgens de Verordening een besluit van de luchtverkeersleiding die annulering of vertraging veroorzaakt, als buitengewone omstandigheid aangemerkt. In bovenstaande zaken leidde de beslissing van de luchtverkeersleiding tot capaciteitsreductie en uiteindelijk tot annulering van de vluchten. Dat de luchtverkeersleiding geen specifieke vluchten annuleert, maar een luchtvaartmaatschappij verplicht om bijvoorbeeld 50 procent van het aantal vluchten te annuleren, doet niets af aan het feit dat deze capaciteitsreductie de annulering of vertraging veroorzaakt.


Kamervragen

Naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam heeft Kamerlid Dijkstra aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat vragen gesteld. Dit zijn de volgende vragen:
1. Bent u bekend met het artikel uit het Haarlems Dagblad van 10 april 2018: ‘Ook bij storm moet KLM passagiers compenseren’?
2. Kunt u ons inzicht verschaffen in de motivatie van deze rechter in deze casus?
3. Op basis van welke (Europese) richtlijnen blijkt compensatie aan passagiers nodig?
4. Deelt u de mening van de VVD dat storm, mist of slecht weer een goede reden kan zijn om niet te gaan vliegen? In hoeverre is slecht weer overmacht?
5. Waarom moet een luchtvaartmaatschappij bij een flinke storm alsnog compensatie betalen aan de passagiers? Als zelfs de luchtverkeersleiding maatregelen neemt om minder vluchten toe te staan en de capaciteit wordt beperkt, waarom leidt het annuleren van een vlucht dan tot compensatie aan passagiers?
6. Vindt de minister het wenselijk dat luchtvaartmaatschappijen hun keuze om te vliegen, laten afhangen van eventuele compensatie richting passagiers achteraf? Indien de minister dit niet wenselijk vindt, waarom is compensatie dan toch nodig? Deelt u onze mening dat veiligheid van groter belang is?
7. Bent u het met de VVD eens dat maatregelen ter compensatie van passagiers in de luchtvaart en dit soort situaties zijn doorgeslagen en de Europese consumentenbescherming haar doel eigenlijk voorbij gaat? 
8. Deelt u de mening van de VVD dat op de lange termijn uiteindelijk alle passagiers hiervan de dupe worden? Als wij verandering willen, wat is nodig? Wat is mogelijk om dit soort compensatieregels en definities van overmacht in te perken? Op welk niveau en op basis van welke wetgeving dient dit te gebeuren?


Conclusie

Verordening 261/2004 biedt passagiers compensatie bij vertraging of annulering van een vlucht. Passagiers hebben echter geen recht op deze compensatie, indien sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van de Verordening. De rechter heeft meerdere malen geoordeeld dat een algemene capaciteitsreductie als gevolg van weersomstandigheden niet als buitengewone omstandigheden wordt gezien, omdat geen sprake zou zijn van verhindering of een opdracht tot annulering van een specifieke vlucht. Dit heeft tot gevolg dat luchtvaartmaatschappijen bij slechte weersomstandigheden – ondanks verplichting van de luchtverkeersleiding tot annulering van een aantal vluchten – toch compensatie zouden moeten betalen aan passagiers. Het is echter maar de vraag of de lijn die in de jurisprudentie wordt aangehouden ook daadwerkelijk de bedoeling is van de Verordening. Kamerlid Dijkstra heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam vragen gesteld aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. De Minister heeft kenbaar gemaakt binnen korte termijn de vragen te beantwoorden.