Zoeken
  1. Afgeleide schade: schadevergoeding voor gedupeerde aandeelhouders

Afgeleide schade: schadevergoeding voor gedupeerde aandeelhouders

Een belangrijke motivatie voor een aandeelhouder om te investeren in een onderneming is om daar op termijn een financieel voordeel mee te behalen, bijvoorbeeld door dividend of door waardestijging van de aandelen. Helaas komt het ook voor dat aandelen minder waard worden als een gevolg van het handelen van een derde. De vermogensschade die een aandeelhouder door waardevermindering van zijn aandelen lijdt wordt ook wel afgeleide schade genoemd. Meestal komt afgeleide schade niet voor vergoedin...
Auteur artikelDirkzwager
Gepubliceerd02 maart 2016
Laatst gewijzigd02 maart 2016
Leestijd 
Een belangrijke motivatie voor een aandeelhouder om te investeren in een onderneming is om daar op termijn een financieel voordeel mee te behalen, bijvoorbeeld door dividend of door waardestijging van de aandelen. Helaas komt het ook voor dat aandelen minder waard worden als een gevolg van het handelen van een derde. De vermogensschade die een aandeelhouder door waardevermindering van zijn aandelen lijdt wordt ook wel afgeleide schade genoemd. Meestal komt afgeleide schade niet voor vergoeding in aanmerking. Er zijn echter uitzonderingen die in dit artikel beknopt zullen worden besproken.

Afgeleide schade
Als een derde door een onrechtmatige daad of wanprestatie schade toebrengt aan het vermogen van een onderneming dan wordt daardoor het vermogen van deze onderneming minder waard. Omdat de waarde van een aandeel in een onderneming nauw verbonden is met de waarde van die onderneming kan een dergelijke onrechtmatige daad of wanprestatie een daling van de waarde van het aandeel als gevolg hebben. De houder van de getroffen aandelen wordt dan indirect getroffen door de onrechtmatige daad of wanprestatie die jegens de onderneming wordt gepleegd. Dit noemen we afgeleide schade.

In tegenstelling tot andere landen, zoals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, kan een getroffen aandeelhouder in Nederland in beginsel geen aanspraak maken op vergoeding van afgeleide schade. De reden hiervoor is dat de rechtspersoon waarin de onderneming gedreven wordt naar Nederlands recht een zelfstandige rechtspersoon is die zelf voor haar belangen dient op te komen. Het doorbreken van deze zelfstandige persoonlijkheid door het toekennen van afgeleide schade zou niet alleen chaotische verhaalsituaties veroorzaken maar ook de positie van andere schuldeisers van de onderneming ondergraven. De Hoge Raad heeft daarom in het arrest Poot/ABP bepaald dat voor de vergoeding van afgeleide schade naar Nederlands recht alleen sprake kan zijn als de schade veroorzakende derde jegens de aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.

Uitzonderingen
De Nederlandse rechter zal een vordering die strekt tot de vergoeding van afgeleide schade niet snel toewijzen maar er zijn uitzonderingen denkbaar in gevallen waarin er sprake is van de schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens een aandeelhouder. In de praktijk betekent dit dat de schadeveroorzaker de opzet moet hebben gehad om de getroffen aandeelhouder te benadelen. Dit is in de praktijk lastig te bewijzen, maar niet geheel onmogelijk. Er is nog een andere uitzondering. In het arrest Kip/Rabo heeft de Hoge Raad bepaald dat als de afgeleide schade een definitief karakter heeft gekregen deze wel voor vergoeding in aanmerking komt. Concreet betekent dit dat de onderneming niet langer in die positie kan zijn om de schade zelfstandig op de schade veroorzakende derde te verhalen. De schade moet dus definitief en onomkeerbaar ten laste van de aandeelhouders zijn gekomen.

Conclusie
Het lijkt erop dat het begrip afgeleide schade langzaam maar zeker een plek krijgt binnen het Nederlandse recht. Het toenemende aantal ingestelde vorderingen tot vergoeding van afgeleide schade heeft de Nederlandse rechters de mogelijkheid gegeven het begrip stevig juridisch te verankeren en recente uitspraken bevestigen de door de Hoge Raad ingezette trend.  Goede voorbeelden hiervan zijn de recente uitspraken van de Rechtbank Midden-Nederland op 4 november 2015 (Oad/Rabobank) en het Hof ’s-Hertogenbosch op 29 september 2015. In deze uitspraken werden de eerder geformuleerde uitzonderingen bevestigd en werd de mogelijkheid gegeven om bewijs te leveren voor het bestaan van een uitzonderingssituatie. Daarmee lijkt het begrip afgeleide schade in het Nederlandse recht volwassen te zijn geworden.