De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Antwoord Kamervragen

Antwoord op vragen Kamerlid Dijkstra over financiële compensatie

De herziening van de Verordening 261/2004 is niet overbodig en zal de uniforme, effectieve en eerlijke uitleg tegen goede komen.
Leestijd 
Auteur artikel Joanne Houwers
Gepubliceerd22 juni 2018
Laatst gewijzigd22 juni 2018
 

Onlangs schreef ik over de vragen die door het Kamerlid Dijkstra aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat zijn gesteld naar aanleiding van een artikel uit het Haarlems Dagblad dat is geschreven naar aanleiding uitspraak van de Rechtbank Amsterdam. Inmiddels heeft de Minister de vragen van Kamerlid Dijkstra beantwoord.

In het kort

De Minister licht in haar antwoord toe dat een luchtvaartmaatschappij in het geval van een buitengewone omstandigheid niet verplicht is om compensatie aan de passagiers te voldoen. De Rechtbank Amsterdam heeft in deze kwestie geoordeeld dat wanneer de luchtverkeersleiding tot een ‘algemene capaciteitsreductie’ besluit, dit niet wordt aangemerkt als een buitengewone omstandigheid. Evenmin zou dit het geval zijn wanneer de luchtverkeersleiding overgaat tot capaciteitsreductie uit voorzorg voor slechte weersomstandigheden in combinatie met een gesloten start- en landingsbaan.

Doorgeslagen bescherming

Kamerlid Dijkstra vraagt of de Minister de mening deelt dat de ‘maatregelen ter compensatie van passagiers in de luchtvaart in dit soort situaties zijn doorgeslagen en de Europese consumentenbescherming haar doel eigenlijk voorbij gaat’. De Minister antwoordt:

“Gemeenschappelijke regels op het gebied van passagiersrechten zijn in het belang van zowel de passagier als de vervoerder. De passagiersrechtenverordening heeft bijgedragen aan een forse vermindering van annuleringen en instapweigeringen. Vanwege vele onduidelijkheden heeft zij echter ook geleid tot een aanzienlijk aantal klachten, rechtszaken en Hofzaken over (onder meer) de buitengewone omstandigheden. Daarom vind ik een herziening van de passagiersrechtenverordening wenselijk en noodzakelijk.”

Conclusie

Een herziening van de Verordening 261/2004 is volgens de Minister niet overbodig. Sinds de invoering van de Verordening is er veel rechtspraak ontstaan die de Verordening verder heeft uitgekristalliseerd. In sommige gevallen lijkt het er echter op dat er een te sterke bescherming voor de consument bestaat die te zwaar op luchtvaartmaatschappijen rust. Een herziening en herwaardering van de Verordening zal de uniforme, effectieve en eerlijke uitleg ten goede komen.