Zoeken
  1. Auteursrecht tegenover vrijheid van meningsuiting op internet

Auteursrecht tegenover vrijheid van meningsuiting op internet

In de context van internet is het auteursrecht de laatste tijd ter discussie komen te staan. Stemmen gaan op dat het delen via internet van auteursrechtelijk beschermde werken van anderen niet altijd een inbreuk zou moeten zijn. Deze discussie is zeker nog niet voorbij. Op 10 januari 2013 heeft het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Ashby Donald e.a. tegen Frankijk een interessante uitspraak gewezen. Het gaat over het spanningsveld tussen auteursrechten en vrijheid van...
Artikel | 25 februari 2013 | Jaap Kronenberg

In de context van internet is het auteursrecht de laatste tijd ter discussie komen te staan. Stemmen gaan op dat het delen via internet van auteursrechtelijk beschermde werken van anderen niet altijd een inbreuk zou moeten zijn. Deze discussie is zeker nog niet voorbij. Op 10 januari 2013 heeft het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Ashby Donald e.a. tegen Frankijk een interessante uitspraak gewezen. Het gaat over het spanningsveld tussen auteursrechten en vrijheid van meningsuiting op internet. Het EHRM geeft kaders die ook van belang zijn voor de discussie over de houdbaarheid van het auteursrecht op internet.


De zaak betrof de publicatie op internet van foto's van een modeshow in Parijs van enkele modehuizen. De foto's waren gemaakt zonder toestemming van de modehuizen. Op hun eigen website boden de fotografen de foto's aan het publiek aan tegen betaling.


De modehuizen startten een procedure tegen de fotografen op grond van inbreuk op hun auteursrechten op het ontwerp van hun nieuwe mode (kledingontwerp is in beginsel een auteursrechterlijk beschermd werk). De foto's van de nieuwe fashion lijnen werden immers getoond op internet zonder hun toestemming. Dat is in beginsel een ongeoorloofde reproductie en een mededeling aan het publiek van het beschermde kledingontwerp.


De fotografen beriepen zich op hun vrijheid om uitingen (foto's) met nieuws en informatie te kunnen verspreiden. De Franse rechter verwierp dit verweer vanwege het louter commerciële karakter van de publicatie van de foto's op internet (immers tegen betaling ter beschikking stellen). De fotografen zijn veroordeeld tot ruim € 250.000,= aan boetes en schadevergoeding.


Daarop hebben de fotografen bij het EHRM beroep aangetekend vanwege schending van artikel 10 EVRM (het recht op vrijheid van meningsuiting). Hun argument is dat het tonen van de foto's een uiting van hun mening is. Dat recht mag op grond van vaste jurisprudentie alleen in geval van zwaarwegende gronden worden beperkt. Volgens de fotografen is het auteursrecht van de modehuizen niet voldoende zwaarwegend.


Voor de beoordeling van deze zaak is van belang dat het EHRM eerder heeft geoordeeld dat artikel 10 EVRM ook geldt voor internetuitingen, voor uitingen met een commercieel karakter en voor het tonen van een foto.


Het auteursrecht is, net als alle andere intellectuele eigendomsrechten aan te merken als een eigendomsrecht. Het eigendomsrecht wordt ook onder het EVRM beschermd en is daarom gelijkwaardig aan het recht op vrijheid van meningsuiting. Het tweede lid van artikel 10 EVRM zegt dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting alleen aan de orde kan zijn indien die beperking een wettelijke grondslag heeft, een legitiem doel dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. De wettelijke grondslag is via de wettelijke regels voor de handhaving van auteursrechten gegeven. De bescherming van eigendom is een legitiem doel dat ook noodzakelijk is in de democratische samenleving.


Vervolgens zegt het EHRM - voor de eerste keer - dat de handhaving van een auteursrecht (een veroordeling tot een verbod en/of betaling van een boete/schadevergoeding) een beperking kan vormen op de vrijheid van meningsuiting. Dit is een belangrijke overweging.  In beginsel kan dus bij iedere auteursrechtinbreuk als verweer aangevoerd worden dat de handhaving van het auteursrecht een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Of dat verweer wordt gehonoreerd is dan ter beoordeling van de rechter. Anderzijds betekent het dat, indien de rechter dat verweer honoreert, de vrijheid van meningsuiting een zelfstandige beperking van het auteursrecht inhoudt, naast de wettelijk gegeven beperkingen (zoals bijv. citaatrecht, persexceptie, onderwijsexceptie, eigen gebruik).


Er hangt dus veel af van de beoordeling door de rechter. Voor die rechterlijke beoordeling worden ook aanwijzingen gegeven. Het EHRM grijpt daarvoor terug op eerder gegeven beslissingen, maar plaats deze nu gezamenlijk op een rij in de context van het spanningsveld tussen auteursrecht en vrijheid van meningsuiting.


In beginsel heeft de nationale rechter in zijn beoordeling van een conflict tussen het recht van vrije meningsuiting met een gelijkwaardig (grond)recht een zekere mate van beoordelingsvrijheid. Hij moet het belang van beide rechten tegen elkaar afwegen. Volgens het EHRM bestaat er een ruime beoordelingsvrijheid voor de rechter indien er sprake is van een commerciële uiting.


In deze zaak staat vast dat de fotografen de foto’s met commerciële bedoelingen op het internet toonden. Zij boden de foto's immers tegen betaling aan. Voor het EHRM is er daarom  geen toetsingtsruimte om het oordeel van de Franse rechter als onjuist aan te merken. De Franse rechter heeft immers een grote mate van vrijheid om vast te stellen dat het auteursrecht van de modehuizen op hun kledingontwerpen zwaarder weegt dan het recht op vrijheid van (commerciële) uiting van de fotografen om foto’s van die kledingontwerpen  te exploiteren op internet.


In 1998 heeft het EHRM in de zaak Hertel tegen Zwitserland reeds overwogen dat er maar een beperkte beoordelingsvrijheid van de nationale rechter bestaat als het gaat om een uiting waarmee een bijdrage wordt geleverd aan een publiek debat over een onderwerp van algemeen belang. De vrijheid om een mening te kunnen uiten (welgevallig of onwelgevallig) aangaande een onderwerp van algemeen belang wordt door het EHRM namelijk gezien als essentieel voor de democratische samenleveng, onontbeerlijk voor de verdere ontwikkelinge ervan en de individule ontplooiing van de mensen die daarin leven. Beperkingen daarop moeten daarom strikt worden uitgelegd en overtuigend zijn. Dat geldt niet in dezelfde zin voor het auteursrecht. In de context van deze zaak denk ik dan bijvoorbeeld aan een publiek debat over de gezondheidstoestand van de modellen in de modeshow of het gebruik van echte bont in de getoonde modeontwerpen. In dat geval zal het recht op vrije meningsuiting zwaarder wegen dan het auteursrecht van de modehuizen.


In meerdere uitspraken van Nederlandse rechters waren deze uitgangspunten overigens al toegepast, zie bijvoorbeeld de zaak over de kraak van de OV-chipkaart en de afbeelding van een tas van Louis Vuitton op een schilderij van Nadia Plesner.


Concluderend kan worden gezegd dat het EHRM hiermee bevestigd heeft dat de handhaving van het auteursrecht kan leiden tot de beperking van de vrijheid van meningsuiting. Ik verwacht niet dat dit in de praktijk van geschillen over auteursrechtinbreuk tot andere uitspraken zal leiden dan tot op heden het geval is. Hooguit zal door inbreukmakers vaker dan voorheen aangevoerd gaan worden dat er sprake is van een ongeoorloofde beperking van het recht op vrije meningsuiting. Indien de inbreukmakende handeling geen relatie heeft met een uiting die bijdraagt aan een publiek debat over een onderwerp van algemeen belang of een misstand aan de kaak wil stellen zal dat beroep naar mijn oordeel weinig kansrijk zijn.