De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Auteursrechtinbreuk op onlineplatforms

Auteursrechtinbreuk op onlineplatforms

Wanneer is sprake van auteursrechtinbreuk op onlineplatforms? En wie kan daarop worden aangesproken?
Leestijd 
Auteur artikel Joost Becker
Gepubliceerd 28 juni 2021
Laatst gewijzigd 28 juni 2021
 

Auteursrechtinbreuk

Afbeeldingen, producten en bestanden kunnen eenvoudig en heel snel via social media gedeeld worden. Veelal gaat het hier om content geplaatst op onlineplatforms, en getoond aan internetgebruikers. Het zonder toestemming van de auteursrechthebbende openbaar maken van auteursrechtelijk beschermde afbeeldingen, producten en/of bestanden, levert in beginsel een auteursrechtinbreuk op. Veelal is hierbij ook sprake van illegale content.

Wie is aansprakelijk voor auteursrechtinbreuk op onlineplatforms?

Op onlineplatforms moeten verschillende spelers worden onderscheiden, waaronder de exploitanten daarvan en de internetgebruikers als degenen die zich hebben aangemeld om content op de platforms te kunnen delen.

Voor het aannemen van online auteursrechtinbreuk moet onder meer sprake zijn van een mededeling aan het publiek. Wie verricht deze mededeling aan het publiek op onlineplatforms, degene die onlineplatforms zelf aanbieden of degene die de content plaatsen (de gebruikers) of allebei?

Deze vraag komt aan de orde in de juridische procedure over het ter beschikking stellen op YouTube en host- en deelplatform Uploaded van Cyando van verschillende soorten werken.

Illegale content

Het Hof merkt op dat illegale content niet door de exploitant van het platform wordt geüpload, maar “door de gebruikers, die zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid handelen. (…) Bovendien zijn het de gebruikers van het platform die bepalen of de door hen geüploade content via dit platform beschikbaar wordt gesteld voor andere internetgebruikers, zodat zij daar toegang toe kunnen krijgen op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.”

Platforms

Echter, eerder is onder meer in The Pirate Bay zaak geoordeeld dat dat platform zelf wel een mededeling aan het publiek deed, en dus auteursrechtinbreuk pleegde. Ten aanzien van de “exploitant van een videodeelplatform of een host- en deelplatform voor bestanden” wordt nu evenwel geoordeeld dat “de enkele omstandigheid dat de exploitant algemeen op de hoogte is van het feit dat beschermde content illegaal op zijn platform beschikbaar is, niet [volstaat] om te oordelen dat hij intervenieert om internetgebruikers toegang tot die content te verschaffen. Dit ligt echter anders wanneer deze exploitant door de rechthebbende ervan in kennis is gesteld dat beschermde content via zijn platform illegaal aan het publiek wordt meegedeeld, en hij niet prompt de nodige maatregelen neemt om die content ontoegankelijk te maken.”

In dit verband is met name relevant het feit dat een dergelijke exploitant, hoewel hij weet of behoort te weten dat beschermde content in het algemeen via zijn platform door gebruikers ervan illegaal beschikbaar voor het publiek wordt gesteld, niet de passende technische maatregelen treft die van een normaal behoedzame marktdeelnemer in zijn situatie kunnen worden verwacht om op geloofwaardige en doeltreffende wijze inbreuken op het auteursrecht op dat platform tegen te gaan, en het feit dat deze exploitant deelneemt aan de selectie van beschermde content die illegaal aan het publiek wordt meegedeeld, op zijn platform hulpmiddelen aanbiedt die specifiek bedoeld zijn om dergelijke content illegaal te delen of het delen van die content bewust stimuleert, wat kan blijken uit de omstandigheid dat die exploitant een bedrijfsmodel hanteert dat de gebruikers van zijn platform aanspoort om beschermde content illegaal op dat platform mee te delen aan het publiek.

Het enkele feit dat de exploitant van een videodeelplatform of een host- en deelplatform voor bestanden een winstoogmerk heeft, maakt nog niet dat automatisch sprake is van een onrechtmatige mededeling van beschermde content door gebruikers van het platform. Dat winstoogmerk betekent volgens het Hof immers niet dat de exploitant ermee instemt dat deze door derden “worden gebruikt om inbreuk te maken op het auteursrecht”.

YouTube

Het Hof merkt verder op dat YouTube haar gebruikers duidelijk maakt dat er geen beschermde content in strijd met auteursrecht mag worden geplaatst, en op roept auteursrecht te eerbiedigen. Accounts kunnen ook worden geblokkeerd. Verder heeft zij verschillende technische voorzieningen getroffen. Hoewel YouTube reclame-inkomsten met haar platform verwerft en gebruikers die content hebben geüpload en de rechthebbenden van auteursrechtelijk beschermde content de mogelijkheid biedt om te delen in die inkomsten, blijkt niet dat het bedrijfsmodel van dit platform berust op de aanwezigheid van illegale content op dat platform of dat dit model beoogt gebruikers ertoe aan te zetten dergelijke content te uploaden, noch dat het hoofddoel of het voornaamste gebruik van YouTube bestaat in het onrechtmatig delen van beschermde content.

Uploaded

Voor Cyando’s Uploaded geldt ook dat zij evenmin content creëert, selecteert, bekijkt of controleert en in de gebruiksvoorwaarden staat dat geen inbreuk mag worden gemaakt op auteursrechten. Geüploade content is ook alleen toegankelijk via een specifieke downloadlink voor gebruikers. Andere internetgebruikers krijgen geen hulpmiddelen opgeslagen content te vinden en of toegang daartoe te krijgen. Het platform zelf deelt ook geen links, en neemt ook niet deel aan plaatsing van downloadlinks op externe sites. Bovendien biedt een host- en deelplatform voor bestanden zoals Uploaded volgens het Hof haar gebruikers “verschillende geoorloofde gebruiksmogelijkheden”. Echter, indien zou blijken dat het “platform voornamelijk of overwegend wordt gebruikt voor het onrechtmatig beschikbaar stellen van beschermde content voor het publiek” zou mogelijk wel sprake kunnen zijn van een auteursrechtelijk relevant handelen. De rechter moet gaan verifiëren of het bedrijfsmodel al dan niet berust op de beschikbaarheid van illegale content en of wordt beoogd de gebruikers ervan aan te sporen dergelijke content via dit platform te delen.

Oordeel

Kortom, het Europees Hof oordeelt dat de exploitanten van onlineplatforms in beginsel zelf géén mededeling aan het publiek doen van auteursrechtelijk beschermde content die hun gebruikers illegaal online plaatsen. Dit is anders

“wanneer die exploitant concreet weet dat beschermde content op onwettige wijze op zijn platform beschikbaar wordt gesteld en deze content niet prompt verwijdert of prompt ontoegankelijk maakt, of wanneer die exploitant, hoewel hij weet of behoort te weten dat beschermde content in het algemeen via zijn platform door gebruikers ervan illegaal beschikbaar voor het publiek wordt gesteld, niet de passende technische maatregelen treft die van een normaal behoedzame marktdeelnemer in zijn situatie kunnen worden verwacht om op geloofwaardige en doeltreffende wijze inbreuken op het auteursrecht op dit platform tegen te gaan, of wanneer hij deelneemt aan de selectie van beschermde content die illegaal aan het publiek wordt meegedeeld, op zijn platform hulpmiddelen aanbiedt die specifiek bedoeld zijn om dergelijke content illegaal te delen of het delen van die content bewust stimuleert, wat kan blijken uit de omstandigheid dat die exploitant een bedrijfsmodel hanteert dat de gebruikers van zijn platform aanspoort om beschermde content illegaal op dat platform mee te delen aan het publiek.”

Aansprakelijkheid

Het Hof is daarnaast van oordeel dat de exploitanten in aanmerking kunnen komen voor de vrijstelling van aansprakelijkheid, waarin de richtlijn elektronische handel voorziet, op voorwaarde dat zij geen actieve rol spelen waardoor zij kennis hebben van of controle hebben over de op hun platform geüploade content, wanneer het gaat om beschermde content die door gebruikers via het platform illegaal aan het publiek wordt meegedeeld.

Zo’n platform is namelijk niet aansprakelijk voor de illegale content, op voorwaarde dat hij niet daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit, of zodra hij van daadwerkelijk kennis heeft, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

In deze context onderzoekt het Hof of de platformexploitant een “neutrale rol” speelt, met andere woorden of hij louter technische, automatische en passieve handelingen verricht, hetgeen inhoudt dat hij geen kennis heeft van of controle heeft over de content die hij opslaat, dan wel of hij juist een actieve rol speelt, waardoor hij kennis heeft van of controle heeft over die content. In dit verband is het Hof van oordeel dat deze exploitant kan worden vrijgesteld van aansprakelijkheid, mits hij geen actieve rol speelt waardoor hij kennis heeft van of controle heeft over de op zijn platform geüploade content.

Verbod in juridische procedure?

Ten slotte gaat het Hof in op de vraag onder welke voorwaarden auteursrechthebbenden een rechtelijk verbod kunnen laten opleggen aan exploitanten van onlineplatformen. Op grond van de Europese richtlijnen moeten er immers maatregelen in een juridische procedure kunnen worden getroffen – met inbegrip van voorlopige maatregelen, dus in kort geding – om inbreuken te doen eindigen. Ook is er jurisprudentie onder het auteursrecht waaruit blijkt dat tussenpersonen niet alleen verplicht kunnen worden maatregelen te nemen om de reeds, via hun diensten van de informatiemaatschappij, gepleegde inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten te beëindigen, maar ook om nieuwe inbreuken te voorkomen.  Echter, een algemene verplichting om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden kan volgens het Hof niet worden aangenomen. Hetzelfde geldt voor filtersystemen voor algemeen en permanent toezicht.

Voor een verbod is wel nodig dat de rechthebbende de dienstverlener in kennis stelt van het bestaan van een inbreuk opdat deze dienstverlener wordt verplicht om de betrokken content prompt te verwijderen of ontoegankelijk te maken en passende maatregelen te nemen teneinde nieuwe inbreuken te voorkomen, bij gebreke waarvan de rechthebbende kan verzoeken om een verbodsmaatregel, aldus het Hof.

Onder omstandigheden kan het zo zijn dat het nationale recht bepaalt dat slechts een verbod kan worden verkregen ten aanzien van de exploitant zonder dat deze exploitant daarvan kennis had gesteld, indien die inbreuk vóór het begin van de gerechtelijke procedure aan die exploitant werd gemeld en deze niet prompt heeft gehandeld om de betrokken content te verwijderen of ontoegankelijk te maken en om ervoor te zorgen dat die inbreuken zich niet opnieuw voordoen.

Wetgeving

Deze uitspraak komt op een moment dat in Nederland net de Implementatiewet richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt in werking treedt. Daarin staat kort gezegd dat aanbieders van een onlinedienst voor het delen van inhoud gebruikerscontent openbaar maakt, wanneer het publiek daartoe toegang wordt verleend. In deze wetgeving staat dat deze aanbieder aansprakelijk is voor de inbreuk op het openbaarmakingsrecht, tenzij hij aantoont dat:

  1. hij zich naar beste vermogen heeft ingespannen om toestemming te verkrijgen; en
  2. hij zich naar beste vermogen heeft ingespannen om, in overeenstemming met de hoge industriële normen van professionele toewijding, ervoor te zorgen dat bepaalde werken ten aanzien waarvan de makers of hun rechtverkrijgenden hem relevante en noodzakelijke informatie hebben verstrekt, niet beschikbaar zijn; en in ieder geval
  3. hij, na ontvangst van een voldoende onderbouwde kennisgeving van makers of hun rechtverkrijgenden, de gemelde werken snel van zijn website heeft verwijderd of de toegang daartoe onmogelijk heeft gemaakt, en hij in overeenstemming met het onder 2°. bepaalde zich naar beste vermogen heeft ingespannen om te voorkomen dat de gemelde werken in de toekomst weer worden aangeboden.

Het is de vraag of het huidige arrest daar (veel) verandering in brengt. Dat zal de praktijk moeten uitwijzen.

Joost Becker, advocaat auteursrecht