Zoeken
  1. Bewijslast bij splitsingsfaciliteit

Bewijslast bij splitsingsfaciliteit

Bij een juridische afsplitsing wordt het vermogen van een rechtspersoon die bij de splitsing niet ophoudt te bestaan, onder algemene titel  -zonder dat er allerlei leveringshandelingen vereist zijn- verkregen door een of meer andere rechtspersonen.De eventuele winst die behaald wordt met deze afsplitsing behoeft niet in aanmerking te worden genomen voor de vennootschapsbelasting, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (bijvoorbeeld dat bij de betrokken rechtspersonen voor het bepalen v...
Auteur artikelMarèl Baak
Gepubliceerd05 februari 2013
Laatst gewijzigd05 februari 2013
Leestijd 
Bij een juridische afsplitsing wordt het vermogen van een rechtspersoon die bij de splitsing niet ophoudt te bestaan, onder algemene titel  -zonder dat er allerlei leveringshandelingen vereist zijn- verkregen door een of meer andere rechtspersonen.
De eventuele winst die behaald wordt met deze afsplitsing behoeft niet in aanmerking te worden genomen voor de vennootschapsbelasting, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (bijvoorbeeld dat bij de betrokken rechtspersonen voor het bepalen van de winst dezelfde bepalingen van toepassing zijn en dat bij geen van de betrokken rechtspersonen aanspraak bestaat op voorwaartse verrekening van verliezen).
Bij toepassing van voormelde splitsingsfaciliteit hoeft dus niet worden afgerekend over de stille reserves in de overgedragen vermogensbestanddelen. Hierdoor is de belastingheffing geen belemmering als een onderneming haar activiteiten wil herstructureren. De splitsingsfaciliteit is echter niet van toepassing indien de splitsing in overwegende mate gericht is op het ontgaan of het uitstellen van belastingheffing. Dit is het geval – tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt – indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering. Indien de aandelen in de splitsende rechtspersoon of in de verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan een derde, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht en is er alsnog sprake van belastingheffing, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.

De Rechtbank Haarlem heeft in dit kader op 21 december 2012 als volgt besloten. Vrijwel direct na een juridische afsplitsing vond door een moedervennootschap de verkoop plaats van de aandelen in een reeds bestaande dochtervennootschap en van de aandelen in de zojuist bij een afsplitsing opgerichte dochtervennootschap. Het was nu aan de moedervennootschap om aannemelijk te maken dat er zakelijke redenen waren voor deze afsplitsing. De rechtbank oordeelde dat de moedervennootschap niet in de bewijslast was geslaagd. De reden van de splitsing lag volgens de rechtbank in de beoogde verkoop van de aandelen aan een derde. De keuze voor de splitsing diende daarbij met name het belang van de moedervennootschap die hierdoor belastingvoordeel kon behalen. Volgens de rechtbank had de verkoop ook op een meer eenvoudige wijze kunnen plaatsvinden door rechtstreekse verkoop van de activiteiten aan de derde.

Bij het gebruik maken van de splitsingsfaciliteit moet dus goed gelet worden op de redenen voor de splitsing en de bijbehorende drie jaars termijn.