De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Buitengewone omstandigheden tijdens de voorgaande vlucht werken door op de vlucht in kwestie

Buitengewone omstandigheden tijdens de voorgaande vlucht werken door op de vlucht in kwestie

In ons eerdere artikel hebben wij al stilgestaan bij de vraag of een staking door eigen personeel van de luchtvaartmaatschappij kan worden gezien als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening). Op grond van dit artikel hoeft een luchtvaartmaatschappij bij annulering of langdurige vertraging van een vlucht geen financiële compensatie te betalen aan de passagiers indien sprake is van een buitengewone omstandigheid en de luchtvaartmaatschappij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging of annulering te voorkomen dan wel te beperken. Overweging 15 van de considerans van de Verordening benoemt voorbeelden van buitengewone omstandigheden, waaronder een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag.
Auteur artikelDefne Kiliç
Gepubliceerd14 april 2020
Laatst gewijzigd14 april 2020
Leestijd 

De Rechtbank Noord-Holland heeft recentelijk in vier zaken geoordeeld dat buitengewone omstandigheden die zich tijdens de voorgaande vlucht hebben voorgedaan in beginsel kunnen doorwerken op de vlucht in kwestie. Verder oordeelt de rechtbank dat een CTOT (Calculated Take-Off Time) kan worden gezien als een besluit van de luchtverkeersleiding ten aanzien van een specifiek vliegtuig op een specifieke dag in de zin van overweging 15 van de Considerans van de Verordening.

Graag bespreken wij deze zaken in dit artikel. In alle zaken stellen de passagiers dat de luchtvaartmaatschappij vanwege de langdurige vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening.

Rechtbank Noord-Holland 4 maart 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:1814)
Passagiers hebben met Corendon Dutch Airlines B.V. (hierna: Corendon) een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Corendon de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Ohrid Airport (Macedonië) op 10 augustus 2018. De vlucht heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen.

Corendon voert aan dat op 9 en 10 augustus 2018 sprake was van slechte weersomstandigheden in Amsterdam, te weten hevige regenval, zware windstoten en zomerse stormen. Voorafgaand aan de vlucht is de rotatievlucht CND217/CND218 (Amsterdam-Hurghada-Amsterdam) uitgevoerd. Als gevolg van de weersomstandigheden kon de rotatievlucht niet op tijd vertrekken. Dit blijkt uit de slotberichten die zijn opgelegd voor vlucht CND217. De crew kreeg geen toestemming om op te stijgen. De vlucht heeft vervolgens meerdere malen een CTOT opgelegd gekregen.

De opgelegde CTOT's en het aanhoudende slechte weer had een domino-effect op vlucht CND218, te weten de vlucht voorafgaand aan de vlucht in kwestie. Het toestel kon niet tijdig terugvliegen naar Amsterdam om vervolgens de vlucht in kwestie uit te voeren. Van tevoren was niet bekend dat niet kon worden teruggevlogen, omdat dit afhankelijk was van de weersomstandigheden. Corendon heeft ten aanzien van de vlucht voorafgaand aan de vlucht in kwestie de mogelijkheid onderzocht om uit te wijken naar een andere luchthaven en een nieuwe crew daarheen te laten komen, om zo binnen de Flight Duty Period te blijven en te voldoen aan de verplichte rusttijden van de crew. Het weer in Europa was echter dusdanig slecht dat door de afdeling Operations en de gezagvoerder is besloten om in deze omstandigheden niet terug te vliegen. Het laten vliegen van de cockpit- en cabinecrew zou de vliegveiligheid niet ten goede komen. Doordat het slechte weer tot in de ochtend van 10 augustus 2018 bleef aanhouden was het niet zomaar mogelijk om een toestel in te huren dan wel ergens in Europa te landen. Ook was het niet mogelijk om een nieuwe crew in te vliegen, omdat ook deze crew zich vervolgens aan de rusttijden moet houden en niet direct terug kan vliegen. Uiteindelijk is voorafgaande vlucht aangekomen in Amsterdam met een vertraging van 17 uur en 18 minuten. Deze vertraging had vervolgens effect op de vlucht in kwestie.

Voor de beoordeling van het onderhavige geval is de vraag of de omstandigheden van 9 augustus 2018 kunnen doorwerken op een vlucht die op 10 augustus 2018 is uitgevoerd. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. De kantonrechter is van oordeel dat niet van Corendon kan worden verwacht dat zij een reservecrew gereed heeft staan op elke luchthaven waarop zij vliegt. De buitengewone omstandigheden werken dan ook door op de vlucht in kwestie. De voorafgaande vlucht kon immers pas de volgende dag worden uitgevoerd, omdat de crew de verplichte rusttijd in acht diende te nemen. Verder had Corendon voldoende aannemelijk gemaakt dat zij alle redelijke maatregelen had genomen om de vertraging te voorkomen. Zo heeft zij zich ingespannen om de vlucht in kwestie alsnog op 9 augustus 2018 uit te voeren, maar vanwege veiligheidsproblemen is daar op het laatste moment van afgezien. Daarnaast heeft Corendon aangetoond dat zij zich heeft ingespannen om de onderhavige vlucht tijdig met een ander toestel te kunnen uitvoeren. Vanwege het hoogseizoen is dit niet gelukt.

Rechtbank Noord-Holland 22 januari 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:631)
In deze zaak heeft de passagier een vordering ingesteld tegen Polskie Linie Lotnicze 'Lot' S.A. (hierna: LOT). De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan LOT de passagier op 10 juni 2018 diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol naar Warschau (vluchtnummer LO266) en van Warschau naar Lviv, Oekraïne (vluchtnummer LO765). Vlucht LO266 (hierna: de vlucht in kwestie) is vertraagd uitgevoerd.

LOT doet een beroep op (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Zij voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel is van de rotatie Warschau – Amsterdam – Warschau (vluchtnummers LO265/266). De vertraging is veroorzaakt door beslissingen van de luchtverkeersleiding ten aanzien van de voorgaande vlucht (LO265), als de vlucht in kwestie (LO266). De luchtverkeersleiding heeft aan beide vluchten restricties opgelegd in de vorm van CTOT’s. Dit heeft de langdurige vertraging van de passagier op de eindbestemming veroorzaakt. LOT heeft naar het oordeel van de kantonrechter met de door haar overgelegde stukken en haar toelichting daarop voldoende aangetoond dat de luchtverkeersleiding meerdere CTOT’s heeft opgelegd aan het toestel dat de vluchten LO265 en LO266 uitvoerde.

De kantonrechter overweegt dat een CTOT kan worden gezien als een besluit van de luchtverkeersleiding ten aanzien van een specifiek vliegtuig op een specifieke dag in de zin van overweging 15 van de Considerans van de Verordening, zodat het een buitengewone omstandigheid kan opleveren. Buitengewone omstandigheden die zich op de voorgaande vlucht hebben voorgedaan, kunnen in beginsel doorwerken op de vlucht in kwestie, aldus de kantonrechter.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of deze besluiten van de luchtverkeersleiding tot een langdurige vertraging hebben geleid, zodat deze als buitengewone omstandigheid kunnen worden aangemerkt. Daarvan is sprake.

Tevens heeft LOT naar het oordeel van de kantonrechter ook redelijke maatregelen genomen om de vertraging de voorkomen. Zo heeft LOT de passagier omgeboekt op de eerst beschikbare vlucht. Niet valt in te zien welke maatregelen LOT nog meer had moeten nemen om de vertraging voor de passagier te voorkomen.

Rechtbank Noord-Holland 6 november 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:11002)
De passagier heeft met KLM een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan KLM de passagier diende te vervoeren van Milaan, Italië naar Amsterdam-Schiphol op 27 mei 2018 met vluchtnummer KL1634. De vlucht is met vertraging uitgevoerd en de passagier vordert financiële compensatie.

KLM betwist de vordering en voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel uitmaakt van de rotatie Amsterdam-Milaan-Amsterdam (KL1633/1634). Het toestel waarmee de rotatie werd uitgevoerd, heeft een CTOT opgelegd gekregen. Het CTOT is vervolgens verschillende malen herzien. KLM heeft als bewijs de Operational Log van Eurocontrol overgelegd.

De kantonrechter overweegt dat een CTOT kan worden gezien als een besluit van de luchtverkeersleiding ten aanzien van een specifiek vliegtuig op een specifieke dag in de zin van overweging 15 van de considerans van de Verordening, zodat het een buitengewone omstandigheid kan opleveren. De kantonrechter is van oordeel dat uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat de luchtverkeersleiding restricties heeft opgelegd en dat die restricties gericht zijn aan het specifieke toestel dat de vlucht KL1633 en de vlucht in kwestie zou uitvoeren. KLM heeft hiermee voldoende onderbouwd dat de restricties een langdurige vertraging tot gevolg hebben gehad, zodat sprake is van een besluit zoals bedoeld in overweging 15 van de Considerans van de Verordening. Het beroep van KLM op buitengewone omstandigheden slaagt.

KLM heeft ook alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te voorkomen. De passagier stelt dat geplande tijd van 50 minuten tussen vlucht KL1633 en de vlucht in kwestie (omdraaitijd) onvoldoende is om een vertraging van voorgaande vluchten, al dan niet veroorzaakt door buitengewone omstandigheden, op te vangen. De kantonrechter is het met de KLM eens dat het aanhouden van een langere omdraaitijd de vertraging van de vlucht niet had kunnen voorkomen. Het toestel heeft meerdere CTOT’s opgelegd gekregen, waardoor het toestel niet mocht vertrekken. Dit was niet anders geweest, indien KLM een langere omdraaitijd had aangehouden. Verder is gesteld noch gebleken dat KLM nog iets anders of meer had kunnen doen om de vertraging te voorkomen.

Rechtbank Noord-Holland 4 september 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:7567)
Passagiers hebben met TUI een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan TUI de passagiers op 11 februari 2017 diende te vervoeren van Kittila (Finland) naar Amsterdam-Schiphol met vlucht OR 144. De vlucht is met een vertraging van meer dan drie uur uitgevoerd.

TUI licht toe dat de vlucht in kwestie onderdeel is van de rotatie Brussel – Amsterdam – Kittila – Amsterdam – Brussel (OR 143 / OR 144). Wegens (verwachte) winterse weersomstandigheden in Amsterdam is de capaciteit van de luchthaven Schiphol gereduceerd waardoor er een groot deel van de dag minder vliegtuigen per uur mochten aankomen op Schiphol. Vanwege de capaciteitsreductie op Schiphol heeft Eurocontrol het toestel die de onderhavige vlucht heeft uitgevoerd een CTOT opgelegd die vervolgens meermaals is herzien. Als gevolg van de opgelegde CTOT is ook de vlucht in kwestie met vertraging uitgevoerd. TUI heeft bij de conclusie van antwoord een METAR-rapport (“Meteorological Aerodrome Report”) en een screenshot van Eurocontrol overgelegd, waaruit de omschreven weersomstandigheden en opgelegde CTOT volgen.

Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende gebleken dat er verminderd zicht was door winterse weersomstandigheden in Amsterdam die de capaciteitsreductie tot gevolg hadden. Verder oordeelt de kantonrechter dat de vanwege de weersomstandigheden opgelegde CTOT in de ochtend van 11 februari 2017 een buitengewone omstandigheid oplevert die doorwerkt op de vlucht in kwestie.

De vraag die nog resteert voor een geslaagd beroep op artikel 5 lid 3 Verordening is of TUI alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de vlucht in kwestie als gevolg van de buitengewone omstandigheid te voorkomen dan wel te beperken.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft TUI voldoende onderbouwd dat zij de onderhavige vlucht Kittila – Amsterdam zo snel mogelijk heeft uitgevoerd nadat het toestel eerder die dag met vertraging uit Brussel was vertrokken. Uit de uitvoerige met feiten en omstandigheden onderbouwde toelichting, alsmede de overgelegde rapporten en vluchtgegevens is niet gebleken dat het toestel na de vertraging op de eerste vlucht nog verdere complicaties heeft ondervonden. De kantonrechter overweegt dat niet gebleken is dat de vlucht in kwestie eerder uitgevoerd had kunnen worden.

Conclusie
Uit bovengenoemde uitspraken blijkt dat de rechter heeft geoordeeld dat een CTOT kan worden gezien als een besluit van de luchtverkeersleiding ten aanzien van een specifiek vliegtuig op een specifieke dag in de zin van overweging 15 van de Considerans van de Verordening, zodat het een buitengewone omstandigheid kan opleveren. Tevens blijkt uit bovengenoemde uitspraken dat buitengewone omstandigheden die zich op de voorgaande vlucht hebben voorgedaan, in beginsel kunnen doorwerken op de vlucht in kwestie.

Mocht u vragen hebben naar aanleiding van dit artikel, dan kunt u altijd contact opnemen met Dirkzwager legal & tax.