De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Commissie geeft richtsnoeren voor toepassing van de EU-verordeningen inzake passagiersrechten in de context van de ontwikkeling van Corona

Recht op terugbetaling vliegtickets wegens de uitbraak van corona?

Door de uitbraak van COVID-19 worden veel passagiers en de Europese vervoerssector zwaar getroffen. Vervoer is een van de sectoren die het zwaarst is getroffen door de pandemie. Dat komt door de maatregelen die de autoriteiten hebben genomen om de uitbraak in te dammen. Voor veel passagiers zijn reizen geannuleerd of doet de situatie zich voor dat passagiers niet meer willen of mogen reizen.
Auteur artikelJoanne Houwers
Gepubliceerd20 maart 2020
Laatst gewijzigd18 mei 2020
Leestijd 

De Europese Commissie heeft interpretatieve richtsnoeren gegeven met als doel te verduidelijken hoe sommige bepalingen van de EU-wetgeving inzake passagiersrechten moeten worden toegepast in de context van de COVID-19-uitbraak, met name met betrekking tot annuleringen en vertragingen.

De richtsnoeren hebben betrekking op de volgende wetgeving inzake passagiersrechten:

  • Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91.
  • Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer.
  • Verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004.
  • Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004.

Deze richtsnoeren hebben geen betrekking op Richtlijn (EU) 2015/2302 inzake pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen.

Wij zullen in dit artikel enkel ingaan op de rechten van luchtreizigers op grond van Verordening nr. 261/2004.

Recht op keuze tussen terugbetaling en vervoer langs een andere route

De omstandigheden ten gevolge van uitbraak van COVID-19 kunnen gevolgen hebben voor het recht om te kiezen voor vervoer langs een andere route ‘bij de eerste gelegenheid’. Het zou kunnen dat luchtvaartmaatschappijen de passagiers onmogelijk binnen een korte tijdspanne via een andere route naar hun bestemming kunnen brengen of dat het enige tijd zou kunnen duren voordat het duidelijk is wanneer vervoer langs een andere route mogelijk is. De ‘eerste gelegenheid’ op vervoer langs een andere route kan (dus) een aanzienlijke vertraging en/of onzekerheid inhouden voor de reiziger. Het is mogelijk dat de passagier daarom de voorkeur geeft aan terugbetaling van de ticketprijs of vervoer langs een andere route op een later tijdstip, ‘naar keuze van de passagier’.

Situaties waarin passagiers niet kunnen reizen of een reis willen annuleren

De EU-verordeningen inzake passagiersrechten hebben geen betrekking op situaties waarin passagiers niet kunnen reizen of een reis op eigen initiatief willen annuleren. Of een passagier in dergelijke gevallen recht heeft op terugbetaling, hangt af van het type ticket (terugbetaalbaar, mogelijkheid op omboeking) zoals vermeld in de verkoopsvoorwaarden van de vervoerder.

Schijnbaar bieden verscheidene vervoerders vouchers aan passagiers die niet willen (of mogen) reizen ten gevolge van de uitbraak van COVID-19. De passagiers kunnen die vouchers dan gebruiken voor een andere reis met dezelfde vervoerder, binnen een door die vervoerder vastgestelde periode.

Er moet een onderscheid worden gemaakt met situaties waarin de vervoerder de reis annuleert en alleen een voucher aanbiedt in plaats van de keuze tussen terugbetaling en vervoer langs een andere route. Als de vervoerder een voucher aanbiedt, heeft dat geen gevolgen voor het recht van de passagier om te kiezen voor terugbetaling.

Specifieke nationale regels in het kader van de COVID-19-uitbraak

Het is echter mogelijk dat, in het kader van de COVID-19-uitbraak, specifieke nationale regels zijn vastgesteld die vervoerders verplichten om passagiers terug te betalen of hen een voucher te geven in het geval de passagier een uitgevoerde vlucht niet kon nemen. Dergelijke nationale maatregelen komen niet aan bod in de door de Commissie gegeven richtsnoeren.

Informatie aan passagiers

Verordening 261/2004 biedt geen specifieke bepalingen met betrekking tot informatie over verstoringen van de reis. Het recht op compensatie in geval van annulering is gekoppeld aan het feit dat de luchtvaartmaatschappij dit niet voldoende van tevoren heeft meegedeeld. Dit valt daarom onder de hiernavolgende overwegingen met betrekking tot het recht op compensatie.

Recht op terugbetaling of een alternatief reisplan

Wanneer een luchtvaartmaatschappij een vlucht annuleert (ongeacht de reden), moet zij volgens artikel 5 van Verordening 261/2004 de passagiers de keuze bieden tussen:
a) terugbetaling;
b) een andere vlucht bij de eerste gelegenheid, of
c) een andere vlucht op een latere datum, naar keuze van de passagier.

Wanneer een passagier de heenvlucht en de terugvlucht afzonderlijk heeft geboekt en de heenvlucht wordt geannuleerd, heeft hij alleen recht op terugbetaling van de geannuleerde vlucht. Dat is (dus) de heenvlucht.

Als de heen- en terugvlucht samen zijn geboekt, ook al worden ze uitgevoerd door verschillende luchtvaartmaatschappijen, moet de passagier twee opties krijgen als de heenvlucht wordt geannuleerd:

  1. terugbetaling van het volledige ticket (beide vluchten); of
  2. vervoer langs een andere route voor de heenvlucht.

Met betrekking tot vervoer langs een andere route kan het begrip ‘bij de eerste gelegenheid’ in de omstandigheden van de COVID-19-uitbraak betekenen dat de reiziger aanzienlijke vertraging oploopt, en hetzelfde geldt voor de beschikbaarheid van concrete informatie over deze mogelijkheid, gezien de hoge mate van onzekerheid in het luchtverkeer. Het is mogelijk dat rekening moet worden gehouden met deze omstandigheden.

Aan deze verplichtingen dient in ieder geval te worden voldaan:

  1. Passagiers moeten worden geïnformeerd over vertragingen en/of onzekerheden die verband houden met hun keuze voor vervoer langs een andere route in plaats van terugbetaling.
  2. Als een passagier toch kiest voor vervoer langs een andere route bij de eerste gelegenheid, wordt de luchtvaartmaatschappij geacht haar informatieverplichting tegenover de passagier te zijn nagekomen als zij op eigen initiatief, zo snel mogelijk en te gepasten tijde, heeft meegedeeld welke vlucht beschikbaar is voor vervoer langs een andere route.

Recht op compensatie

Verordening 261/2004 voorziet in sommige omstandigheden in forfaitaire compensaties. Dat geldt niet voor vluchten die meer dan veertien dagen van tevoren zijn geannuleerd of die zijn geannuleerd als gevolg van buitengewone omstandigheden die zelfs ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.

De Commissie is van mening dat als overheden maatregelen nemen om de COVID-19-pandemie in te perken, die maatregelen naar hun aard en oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteiten van luchtvaartmaatschappijen en dat de luchtvaartmaatschappijen die maatregelen niet in de hand hebben.

Op grond van artikel 5 lid 3 van de Verordening wordt van het recht op compensatie afgezien op voorwaarde dat de desbetreffende annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.

Er wordt geacht aan die voorwaarde te zijn voldaan:

  • als overheden bepaalde vluchten regelrecht verbieden;
  • als overheden het verkeer van personen op zodanige wijze verbieden dat de desbetreffende vlucht niet kan worden uitgevoerd. Aan deze voorwaarde kan ook worden voldaan als de vlucht wordt geannuleerd onder omstandigheden waarin de overeenkomstige verplaatsing van personen niet volledig verboden is, maar beperkt is tot specifieke personen voor wie een uitzondering geldt (bijvoorbeeld onderdanen of ingezetenen van de desbetreffende staat). Als niemand van die personen een bepaalde vlucht zou nemen, zou die vlucht leeg blijven als hij niet zou worden geannuleerd. In dergelijke situaties kan het gerechtvaardigd zijn dat een luchtvaartmaatschappij de vlucht niet pas heel laat maar tijdig annuleert (zelfs zonder zeker te zijn van de rechten van de verschillende passagiers om te reizen), zodat er passende organisatorische maatregelen kunnen worden genomen, onder meer betreffende de door de luchtvaartmaatschappij verplichte verzorging van passagiers.

    In dergelijke gevallen en afhankelijk van de omstandigheden kan een annulering nog steeds worden beschouwd als ‘het gevolg’ van de maatregel van de overheden. Afhankelijk van de omstandigheden kan dat ook het geval zijn voor voorafgaande of opvolgende vluchten van de vluchten die rechtstreeks onder het verbod op het verkeer van personen vallen.
  • als de luchtvaartmaatschappij besluit een vlucht te annuleren en aantoont dat dit besluit gerechtvaardigd is om de gezondheid van de bemanning te beschermen.

Bovenstaande overwegingen zijn niet uitputtend en kunnen niet uitputtend zijn in die zin dat ook andere specifieke omstandigheden met betrekking tot COVID-19 onder de invloedssfeer van artikel 5 lid 3 van Verordening 261/2004 kunnen vallen.

Recht op verzorging

Op grond van artikel 9 van Verordening 261/2004 moeten passagiers van wie de vlucht geannuleerd is ook gratis verzorging aangeboden krijgen van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. Die verzorging bestaat uit:

  • maaltijden en verfrissingen die in redelijke verhouding tot de wachttijd staan;
  • (indien nodig) hotelaccommodatie;
  • vervoer naar de plaats van de accommodatie.

Bovendien moeten luchthavens volgens Verordening (EG) nr. 1107/2006 bijstand verlenen aan passagiers met een handicap en passagiers met beperkte mobiliteit.

Het recht op verzorging eindigt in de volgende gevallen:

  1. indien de passagier kiest voor terugbetaling van de volledige kostprijs van het vliegticket;
  2. indien de passagier kiest voor een andere vlucht op een latere datum die hem of haar schikt (zie artikel 5 lid 1 onder b in samenhang met artikel 8 lid 1 onder c van Verordening 261/2004)

Het recht op verzorging is slechts van kracht zolang de passagier moet wachten op een andere vlucht bij de eerste gelegenheid (zie artikel 5 lid 1 onder b in samenhang met artikel 8, lid 1, onder b van Verordening 261/2004).

De omvang van passende verzorging moet per geval worden beoordeeld. Daarbij moet rekening worden gehouden met de behoeften van de passagiers onder de omstandigheden en met het evenredigheidsbeginsel (dat wil zeggen: afhankelijk van de wachttijd). De prijs van het vliegticket of de duur van het ongemak mag geen afbreuk doen aan het recht op verzorging.

Hebt u vragen over het bovenstaande? Neem dan contact op met Joanne Houwers of Gerard den Hertog.