Zoeken
  1. Conclusie A-G: luchtvaartmaatschappij hoeft ticketprijs geannuleerde pakketreis niet terug te betalen

Conclusie A-G: luchtvaartmaatschappij hoeft ticketprijs geannuleerde pakketreis niet terug te betalen

Op 28 maart 2019 heeft A-G Saugmandsgaard Øe een conclusie uitgebracht naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Rechtbank Noord-Nederland aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De A-G concludeert dat de luchtvaartmaatschappij de ticketprijzen van gedupeerde pakketreizigers niet hoeft terug te betalen wanneer hun pakketreis is geannuleerd, ongeacht de insolventie van de reisorganisatie.
Artikel | 08 mei 2019 | Joanne Houwers

Op 28 maart 2019 heeft A-G Saugmandsgaard Øe een conclusie uitgebracht naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Rechtbank Noord-Nederland aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De A-G concludeert dat de luchtvaartmaatschappij de ticketprijzen van gedupeerde pakketreizigers niet hoeft terug te betalen wanneer hun pakketreis is geannuleerd, ongeacht de insolventie van de reisorganisatie.

De feiten in het kort
Aegean is een in Griekenland gevestigde luchtvaartmaatschappij. De Nederlandse reisorganisatie Hellas heeft via een derde een aantal vliegstoelen verkregen voor vluchten van Eelde naar Corfu. Op 19 maart 2015 hebben verschillende passagiers een pakketreis geboekt bij Hellas. Wanneer Hellas in financieel zwaar weer komt, annuleert zij alle vluchten. Hellas wordt op 3 augustus 2016 failliet verklaard.

Verordening 261/2004 en Richtlijn 90/314
Passagiers hebben op grond van artikel 8 lid 1 onder a van de Verordening 261/2004 (hierna: de Verordening) bij annulering of een vertraging van de vlucht van tenminste vijf uur recht op terugbetaling van het vliegticket of een andere vlucht:

1. Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers de keuze tussen:

  1. a) — volledige terugbetaling van het ticket binnen zeven dagen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, tegen de prijs waarvoor het gekocht was, voor het gedeelte of de gedeelten van de reis die niet zijn gemaakt en voor het gedeelte en de gedeelten die reeds zijn gemaakt indien verder reizen in het licht van het oorspronkelijke reisplan van de passagier geen zin meer heeft, alsmede in voorkomend geval,

— een retourvlucht naar het eerste vertrekpunt bij de eerste gelegenheid; ”

De in de Verordening neergelegde passagiersrechten gelden in de regel niet voor passagiers die een pakketreis hebben geboekt. Een uitzondering daarop is artikel 8 lid 2 Verordening, waarin het volgende staat beschreven:

“Lid 1, onder a), is ook van toepassing op passagiers wier vlucht onderdeel is van een pakket, behalve wat het recht op terugbetaling betreft indien dit recht bestaat krachtens Richtlijn 90/314/EEG”

Op grond van het terugbetalingsrecht van artikel 4 lid 6 van de Richtlijn 90/314 (hierna te noemen: de Richtlijn) kunnen de gedupeerde pakketreizigers de reisorganisatie (en dus niet de luchtvaartmaatschappij) aanspreken tot terugbetaling van hun ticket. Dit was in de kwestie die zich voordeed echter niet zinvol wegens het uitgesproken faillissement van Hellas. De pakketreizigers vorderen daarom terugbetaling van de ticketprijs op grond van artikel 5 en 8 van de Verordening.

Prejudiciële vragen
Het twistpunt in deze zaak is of de passagiers in de hiervoor beschreven situatie gerechtigd terugbetaling van Aegean kunnen vorderen op grond van artikel 8 lid 2 Verordening, terwijl zij op grond van artikel 4 lid 6 Richtlijn Hellas kunnen aanspreken tot terugbetaling. Bij tussenbeschikking heeft de kantonrechter het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vragen gesteld (Rechtbank Noord-Nederland 21 februari 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:598):

“1. Moet artikel 8 lid 2 van Verordening 261/2004 aldus worden uitgelegd dat een passagier die op grond van de (in het nationale recht geïmplementeerde) Richtlijn 90/134/EEG betreffende pakketreizen het recht heeft om zijn reisorganisator aan te spreken tot terugbetaling van zijn ticket, geen terugbetaling van de luchtvaartmaatschappij meer kan vorderen ?

  1. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, kan een passagier de

luchtvaartmaatschappij dan toch tot terugbetaling van zijn ticket aanspreken, indien aannemelijk is dat zijn reisorganisator, ingeval deze aansprakelijk zou worden gesteld, financieel niet in staat is om de ticket daadwerkelijk terug te betalen en die reisorganisator ook geen garantiemaatregelen heeft getroffen om terugbetaling te waarborgen?”

Volgens vaste rechtspraak moet een Unierechtelijke bepaling autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling en met de ontstaansgeschiedenis van die regeling (zie HvJEU 15 november 2018, EU:C:2018:916, ro. 23 en HvJEU 17 januari 2019, EU:C:2019:34, ro. 22).

Conclusie A-G Saugmandsgaard Øe
De A-G concludeert – ten nadele van de pakketreizigers – dat artikel 8 lid 2 Verordening moet worden uitgelegd dat een passagier van een pakketreis de luchtvaartorganisatie niet kan aanspreken tot terugbetaling van de ticketprijs, wanneer hij tegelijkertijd de reisorganisatie kan aanspreken op grond van de Richtlijn. Het is volgens de A-G niet doorslaggevend of het beroep op de Richtlijn daadwerkelijk tot het verkrijgen van de gewenste terugbetaling leidt. In artikel 8 lid 2 Verordening is immers niets te lezen over een voorbehoud ten aanzien van insolvente reisorganisaties. Had de Europese wetgever dat gewild, dan had hij dat wel met zoveel woorden opgeschreven.

Daarnaast blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8 lid 2 Verordening dat de Europese wetgever pakketreizigers niet volledig heeft willen uitsluiten van de werkingssfeer van de Verordening, maar jegens hen de effecten heeft willen handhaven van het stelsel dat eerder was ingevoerd bij Richtlijn en dat voldoende bescherming bood.

Verder volgt uit de context van artikel 8 lid 2 Verordening dat de bepaling een afwijkend karakter heeft en daarom restrictief moet worden uitgelegd. In beginsel komen de rechten van de Verordening slechts toe aan passagiers van niet-pakketreizen. Artikel 8 lid 2 vormt daarop een uitzondering en slechts voor wat betreft het recht op terugbetaling. Pakketreizigers zullen in de regel moeten aanknopen bij de specifieke regeling van artikel 4 lid 6 Richtlijn.

Bovendien verplicht artikel 7 Richtlijn de reisorganisatie tot het nemen van maatregelen voor mogelijk financieel onvermogen om zo terugbetaling aan de pakketreizigers te garanderen. Omdat deze verplichting rust op reisorganisaties, is niet te rechtvaardigen dat deze verplichting de facto ten laste komt van de luchtvaartmaatschappij. Dit is voor de A-G nog meer reden om pakketreizigers (terug) te verwijzen naar het terugbetalingsrecht van de Richtlijn.

Tot slot overweegt de A-G dat Verordening mede tot doel heeft een evenwicht te waarborgen tussen de belangen van passagiers en die van luchtvaartmaatschappijen (zie onder meer HvJEU 19 november 2009, EU:C:2012:604). Luchtvaartmaatschappijen hoeven niet in alle gevallen de financiële lasten te dragen. Daar komt nog bij dat artikel 8 lid 2 Verordening het specifieke doel heeft een adequate verhouding tussen de Verordening en Richtlijn te ontwikkelen en daarmee een cumulatieve toepassing van passagiersrechten poogt te voorkomen.

Nieuwe regeling: nieuwe hoop?

De Richtlijn is ingetrokken per 1 juli 2018. Omdat het in het hiervoor besproken geschil zich voordeed vóór die datum, is de Richtlijn in dat geschil nog van toepassing. Gevallen van ná 1 juli 2018 zullen echter te maken krijgen met (de in titel 7A BW geïmplementeerde) Richtlijn 2015/2302 die in de plaats is getreden van de Richtlijn. Verwijzingen naar de (inmiddels ingetrokken) Richtlijn gelden als verwijzingen naar de nieuwe Richtlijn, zo bepaalt artikel 29 Richtlijn 2015/2302. Volgens de concordantietabel moet artikel 4 lid 6 Richtlijn 90/314, waarop het terugbetalingsrecht voor pakketreizen in casu was gebaseerd, worden begrepen overeenkomstig artikel 11 lid 3 Richtlijn 2015/2302 (vgl. artikel 7:509 lid 5 BW). Hierin is nog altijd een verplichting neergelegd voor de reisorganisator om bij beëindiging van de pakketreisovereenkomst alle voor de pakketreis betaalde bedragen – (dus) inclusief ticketprijs – volledig terug te betalen. Nu de Verordening onaangetast blijft, zal de voor pakketreizigers ongunstige uitleg van artikel 8 lid 2 Verordening ook gelden voor gevallen van ná 1 juli 2018, mocht het Hof de A-G volgen.

Voorlopige slotsom

Indien pakketreizigers te maken krijgen met een insolvente reisorganisatie, kunnen zij zich niet wenden tot de luchtvaartmaatschappij voor de terugbetaling van hun tickets wanneer hun vlucht is geannuleerd. Althans, dat is de conclusie van A-G Saugmandsgaard Øe naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Rechtbank Noord-Nederland. Het is nu aan het Hof om een oordeel te vellen.