Zoeken
  1. De boekhoudplicht voor de bestuurder

De boekhoudplicht voor de bestuurder

Het is voor een bestuurder van belang om te voldoen aan de boekhoudverplichting van art. 2:10 BW, omdat schending van die verplichting ertoe kan leiden dat de bestuurder aansprakelijk is voor het tekort in het geval van een faillissement. In een uitspraak van de Hoge Raad kwam de vraag aan de orde welke elementen van belang zijn bij beantwoording van de vraag of de boekhouding voldoet aan daaraan te stellen eisen.De curator vordert een verklaring voor recht dat de bestuurders van FSM (Europe...
Artikel | 13 juni 2016 | Klaas-Albert Veerbeek
Het is voor een bestuurder van belang om te voldoen aan de boekhoudverplichting van art. 2:10 BW, omdat schending van die verplichting ertoe kan leiden dat de bestuurder aansprakelijk is voor het tekort in het geval van een faillissement. In een uitspraak van de Hoge Raad kwam de vraag aan de orde welke elementen van belang zijn bij beantwoording van de vraag of de boekhouding voldoet aan daaraan te stellen eisen.

De curator vordert een verklaring voor recht dat de bestuurders van FSM (Europe B.V.), een voormalige dochter van het Philipsconcern, hoofdelijk aansprakelijk zijn uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid als bedoeld in art. 2:248 BW en vordert de bestuurders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het faillissementstekort. Aan deze vorderingen heeft de curator onder meer ten grondslag gelegd dat de bestuurders niet voldaan hebben aan de boekhoudverplichtingen van art. 2:10 BW, bij gebreke waarvan een bestuurder geacht wordt zijn taak onbehoorlijk te hebben vervuld (een onweerlegbaar bewijsvermoeden zoals bepaald in art. 2:248 lid 2 BW).

De wet stelt geen specifieke eisen aan de wijze waarop de boekhouding moet worden ingericht. Het hof constateert: “De in artikel 2:10 BW opgenomen eis dat het bestuur verplicht is van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend, moet blijkens het arrest Brens q.q./Sarper aldus worden begrepen dat daaraan is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie”.

De administratie van FSM werd gevoerd door middel van een geautomatiseerd boekhoudsysteem en werd dagelijks bijgehouden. De curator stelt evenwel dat de administratie op een aantal punten incompleet en/of inconsistent was en dat daardoor de boekhoudplicht zou zijn geschonden, dit terwijl de laatste jaarrekening van een goedkeurende accountantsverklaring was voorzien.
Het ging bij FSM onder meer om activeringen van vaste activa en vorderingen die volgens de curator ten onrechte op de balans werden opgevoerd en in strijd met wettelijke regels niet zijn afgewaardeerd in de periodieke cijfers (de maandelijkse managementinformatie). Hiervan wordt geconstateerd dat de richtlijnen voor de jaarverslaggeving en die in Boek 2 BW alleen van toepassing zijn op de jaarverslaggeving en niet op interne (tussentijdse) cijfers.

Voorts betrof het de activering van de belastinglatentie (voor verrekenbare verliezen). Naar het oordeel van het hof moet ervan worden uitgegaan dat het bestuur en de accountant nog uitgingen van continuïteit van de onderneming en dus van mening waren dat deze verliezen verrekenbaar zouden zijn met toekomstige winsten. Het hof constateert dat de onderneming bezwaarlijk een verwijt kan worden gemaakt dat zij de belastinglatentie niet in de tussentijdse cijfers hebben afgewaardeerd.

De curator heeft voorts gesteld dat facturen voor de huur van bedrijfsgebouwen, vooruitbetaalde verzekeringen en managementfee niet als kosten in de juiste periode zijn verantwoord, welke omissie op zich door het bestuur niet werd betwist. Het bestuur stelde dat door de wijze van administreren (het direct boeken van binnenkomende facturen) de facturen niet altijd kostentechnisch aan de juiste periode zijn toegerekend, maar dat deze onzuiverheden in de administratie geen invloed hebben gehad op de mogelijkheid om afdoende inzicht te hebben in de financiële positie van de onderneming. Het hof oordeelde dat door de curator onvoldoende werd onderbouwd waarom deze administratieve tekortkoming meer dan een gering verzuim oplevert en dat men door deze tekortkoming niet het vereiste inzicht kon verkrijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie, de stand van de liquiditeiten en de vermogenspositie van FSM.

Tot slot bracht de curator naar voren dat de afrekening van de WBSO-subsidie niet kon worden gemaakt omdat op het moment van het faillissement van FSM de urenadministratie niet compleet was en dat de subsidievordering te gemakkelijk geheel was afgeboekt, terwijl de boedel nog een bedrag van € 84.000,00 aan subsidie had ontvangen. Voor zover de curator moet worden gevolgd in zijn standpunt dat het bestuur de subsidie lichtvaardig heeft afgeboekt, betekent dat naar ’s hofs oordeel niet dat de boekhoudplicht werd geschonden. De subsidievordering en de afboeking van deze vordering zijn immers correct in de administratie verantwoord.

De rechtbank en het hof hadden de vordering van de curator afgewezen, waarbij werd overwogen dat de door de curator gestelde administratieve gebreken noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien een schending van de boekhoudplicht opleveren.

In cassatie stelde de curator dat het hof een te beperkte uitleg had gegeven aan de wettelijke boekhoudplicht, omdat de boekhoudplicht méér omvat dan alleen het bieden van een snel inzicht in de vermogenspositie van de rechtspersoon. Daarnaast komt het (ook) aan op een juiste weergave van het vermogen en het resultaat. Het hof zou dit hebben miskend door aansluiting te zoeken bij overwegingen uit het arrest Brens q.q./Sarper.
In cassatie oordeelde de Hoge Raad echter dat het hof door die verwijzing geen (te) beperkte uitleg van de boekhoudplicht heeft gegeven en dit niet betekent dat het hof de stellingen van de curator heeft beoordeeld aan de hand van een andere maatstaf dan die van art. 2:10 lid 1 BW. De Hoge Raad oordeelt tot slot dat het hof ook niet heeft miskend dat voor het antwoord op de vraag of de boekhouding voldoet aan de daaraan te stellen eisen, “ook andere elementen daarvan van belang kunnen zijn dan de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten”.

De curator had wel succes met een andere klacht, daar het hof niet was ingegaan op zijn stelling dat er (ook) sprake was van onbehoorlijke taakvervulling doordat de bestuurders in het kader van een management buy out namens FSM een onzakelijke lening hadden verstrekt aan de koper van de aandelen van FSM, waarover het oordeel wordt overgelaten aan een ander hof.

Uit deze zaak blijkt het verschil tussen het voeren van een deugdelijke administratie enerzijds en waardering van activa en passiva en de verslaglegging anderzijds. Artikel 2:10 BW schept een verplichting tot het voeren van een deugdelijke boekhouding, waaruit valt af te leiden wat de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon zijn, bij gebreke waarvan de bestuurder geacht wordt zijn taak onbehoorlijk te hebben vervuld. Als een boekhouding geen getrouw beeld geeft van de werkelijke vermogenstoestand (waardering) van de rechtspersoon, kan dit wel leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid wegens onbehoorlijke taakvervulling in het algemeen (art. 2:248 lid 1 BW), maar dit werd in deze zaak door de curator niet voldoende onderbouwd. Bovendien hebben de bestuurders in deze zaak voldoende aannemelijk gemaakt dat andere feiten of omstandigheden dan een schending van de boekhoudplicht van art. 2:10 BW een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest, zodat het vermoeden van art. 2:248 lid 2 BW is ontzenuwd.

Lees ook onze eerdere artikelen over de boekhoudplicht en bestuurdersaansprakelijkheid van een bestuurder van een B.V. (of een andere rechtspersoon).
Voor meer informatie kunt u ook contact opnemen met mijn collega's Rogier Faase en Maartje ter Horst.