Zoeken
  1. De opzegging van een kredietrelatie en de zorgplicht van een bank (deel 2)

De opzegging van een kredietrelatie en de zorgplicht van een bank (deel 2)

Christien Beernink heeft in haar artikel De opzegging van een kredietrelatie en de zorgplicht van een bank van 19 mei 2014 uiteengezet dat uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat een bank een bijzondere zorgplicht heeft en dat dit voor een kredietopzegging impliceert dat deze ten minste zal moeten voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. In het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 geeft de Hoge Raad aan dat dit een onjuiste maatstaf betreft. Voor een bank geldt...
Artikel | 14 januari 2015 | Selma van Ramele
Christien Beernink heeft in haar artikel De opzegging van een kredietrelatie en de zorgplicht van een bank van 19 mei 2014 uiteengezet dat uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat een bank een bijzondere zorgplicht heeft en dat dit voor een kredietopzegging impliceert dat deze ten minste zal moeten voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. In het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 geeft de Hoge Raad aan dat dit een onjuiste maatstaf betreft. Voor een bank geldt geen andere maatstaf dan – de tot terughoudendheid nopende – maatstaven van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). In het kader van die beoordeling kan rekening worden gehouden met een eventuele bijzondere zorgplicht van de bank.

De feiten zijn als volgt. De Keijzer heeft een kredietfaciliteit bij ING, bestaande uit een rekening-courant voor onbepaalde tijd en twee rentevaste leningen voor bepaalde tijd. Ingevolge de toepasselijke Algemene Bepalingen van Kredietverlening eindigt de kredietfaciliteit automatisch en worden alle verschuldigde bedragen onmiddellijk opeisbaar indien de kredietnemer enige verplichting niet tijdig of niet behoorlijk nakomt en wordt de kredietnemer een vergoeding wegens vervroegd aflossen verschuldigd. ING heeft De Keijzer op de hoogte gesteld van haar besluit de kredietrelatie te beëindigen op de grond dat De Keijzer de gemaakte afspraken niet is nagekomen. ING heeft de kredieten opgezegd en opgeëist en daarbij aanspraak gemaakt op de vergoeding wegens vervroegd aflossen (boeterente). ING heeft een opzegtermijn van acht maanden (de termijn die nodig was om een nieuwe financier te vinden) in acht genomen.

Het hof overweegt dat beëindiging van de kredietfaciliteit op grond van de Algemene Bepalingen van Kredietverlening in de concrete omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Een afweging van de belangen van de bank en van de kredietnemer kan in het concrete geval meebrengen dat de beëindiging niet rechtsgeldig is. Daarbij is van belang dat in de Algemene Bepalingen van Kredietverlening is vastgelegd dat de bank bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht neemt en naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening houdt. Het hof oordeelde dat de opzegging van het krediet in rekening-courant rechtsgeldig is geschied maar dat de beëindiging van de rentevaste leningen niet rechtsgeldig was gelet op de omstandigheid dat De Keijzer als gevolg daarvan een groot bedrag aan boeterente moest betalen (maar liefst € 122.125,69). Het hof stelde vast dat het belang van ING, gelet op de steeds tijdige voldoening van rente- en aflossingsverplichtingen en de (uitzonderlijk) ruime overwaarde van de zekerheden, beperkt was en kwam tot de slotsom dat de beëindiging van de rentevaste leningen in de omstandigheden van het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geoordeeld.

ING klaagt in cassatie dat het Hof met dit oordeel een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigt dat een beëindiging door de bank van een kredietovereenkomst op grond van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging niet rechtsgeldig is als gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Door Selma van Ramele, advocaat Ondernemingsrecht