Zoeken
  1. Diversiteitsbepaling in Wet bestuur en toezicht vooralsnog mislukt

Diversiteitsbepaling in Wet bestuur en toezicht vooralsnog mislukt

Op 1 januari 2013 werd ter bevordering van een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen in raden van bestuur en raden van commissarissen een wettelijk streefcijfer voor grote vennootschappen opgenomen in de wet[i]. Dit streefcijfer houdt in dat tenminste 30% van de zetels in deze vennootschapsorganen door mannen en tenminste 30% van de zetels door vrouwen zou moeten worden bezet. Er is sprake van een “vrijwillig” quorum, omdat vennootschappen die niet aan deze eis voldoen geen boete krijg...
Artikel | 18 november 2015 | Karen Verkerk
Op 1 januari 2013 werd ter bevordering van een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen in raden van bestuur en raden van commissarissen een wettelijk streefcijfer voor grote vennootschappen opgenomen in de wet[i]. Dit streefcijfer houdt in dat tenminste 30% van de zetels in deze vennootschapsorganen door mannen en tenminste 30% van de zetels door vrouwen zou moeten worden bezet. Er is sprake van een “vrijwillig” quorum, omdat vennootschappen die niet aan deze eis voldoen geen boete krijgen, maar dit in het jaarverslag moeten toelichten (zgn. comply or explain principe)[ii]. Bovendien moeten bedrijven daarbij aangeven hoe zij hebben geprobeerd wel aan het streefcijfer voor diversiteit te voldoen en op welke wijze zij beogen in de toekomst de evenwichtige verdeling tussen man en vrouw te realiseren.

Bijna drie jaar na invoering van deze wetsbepaling kan vooralsnog worden geconstateerd dat deze bepaling weinig effect heeft gehad. Eind 2012 was 7,4% van de bestuurders vrouw, eind 2014 is dat percentage 9,6%. Bij commissarissen was eind 2012 9,6% vrouw en is eind 2014 9,8% vrouw[iii]. De tijdens invoering van de wetsbepaling bij de wetgever bestaande hoop dat deze bepaling na 1 januari 2016 niet meer noodzakelijk zou zijn, omdat het bedrijfsleven dan uit eigen beweging aan de wetsbepaling zou hebben voldaan, blijkt ijdele hoop te zijn geweest. Daar komt nog bij dat een groot deel van deze bedrijven nalaten, om het niet behalen van de norm, toe te lichten in het jaarverslag zoals de wet dat voorschrijft. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (mevrouw Jet Bussemaker) is zwaar ontevreden met dit resultaat. Zij overweegt in ieder geval de termijn in de wet te verlengen. De vraag is of dit zoden aan de dijk zet, gezien de resultaten van de afgelopen jaren. Heeft verlenging geen effect, dan dreigt de Minister een wettelijk (verplicht) quorum in te stellen, gelijk aan de situatie in Noorwegen. Ook wil de Minister met accountantsorganisaties afspreken dat accountants geen goedkeurende verklaring afgeven als niet aan de verslageisen wordt voldaan. De wet biedt overigens thans al een mogelijkheid om de verslaglegging af te dwingen, doch daarvoor is een gang naar de rechter (Ondernemingskamer Hof Amsterdam) noodzakelijk[iv].

De Minister hoopt bovendien dat de door haar, in samenspraak met VNO/NCW, ingestelde Topvrouwen database, waarin inmiddels ruim 1.000 geschikte topvrouwen zijn opgenomen, effect zal hebben. In ieder geval hebben bedrijven niet langer het excuus dat er geen geschikte vrouwen zijn. En om met de Minister te spreken: Bedrijven die niet aan de wettelijke regeling voldoen, hebben het aan zichzelf te wijten dat zij vrouwelijk talent verspillen.




 



[i] Artikelen 2:166/276 BW
[ii] Artikel 2:391 lid 7 BW
[iii] Rapportage Commissie monitoring Talent naar de Top
[iv]Artikelen 2:447 e.v. BW