Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Faillissementscurator mocht huwelijkse voorwaarden en hypotheekrecht negeren

Faillissementscurator mocht huwelijkse voorwaarden en hypotheekrecht negeren

Een man en een vrouw zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Kort nadat de man failliet is verklaard, hebben zij huwelijkse voorwaarden opgesteld waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten.Vervolgens heeft de vrouw een woning in eigendom verkregen met behulp van een hypothecaire geldlening. De curator is echter van mening dat de huwelijkse voorwaarden door het faillissement van de man ongeldig zijn en dat de woning tot de failliete boedel behoort. Nu de boedel niet is gebaat met he...
Auteur artikelBart Lotgerink
Gepubliceerd21 maart 2016
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Een man en een vrouw zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Kort nadat de man failliet is verklaard, hebben zij huwelijkse voorwaarden opgesteld waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten.
Vervolgens heeft de vrouw een woning in eigendom verkregen met behulp van een hypothecaire geldlening. De curator is echter van mening dat de huwelijkse voorwaarden door het faillissement van de man ongeldig zijn en dat de woning tot de failliete boedel behoort. Nu de boedel niet is gebaat met het hypotheekrecht stelt hij voor de Rechtbank dat ook het hypotheekrecht ongeldig is.

De Rechtbank is met de curator van oordeel dat de man en de vrouw met het aangaan van de huwelijkse voorwaarden in weerwil van artikel 23 Faillissementswet (hierna: Fw) onbevoegd hebben beschikt over hun tot het faillissement behorende vermogen. De man en de vrouw hebben met de huwelijkse voorwaarden willen bewerkstelligen dat het inkomen van de vrouw buiten de failliete boedel zou vallen. Door aldus te handelen hebben de man en de vrouw beschikt over het tot het faillissement behorende vermogen terwijl zij op grond van artikel 23 Fw daartoe niet meer beschikkingsbevoegd waren. Dit leidt tot relatieve nietigheid van de betreffende rechtshandeling, zie: HR 11 januari 1980, NJ 1980/563. De relatieve nietigheid betekent dat de huwelijkse voorwaarden niet aan de curator kunnen worden tegengeworpen maar in beginsel wel gelding hebben tussen de man en de vrouw onderling alsook in de relatie tot derden zoals de bank die de onderhavige hypotheeklening heeft verstrekt. De curator kan dus handelen alsof de huwelijksgoederengemeenschap gewoon voortduurt.

Verder brengt de relatieve nietigheid van de huwelijkse voorwaarden mee dat zowel de door de vrouw verworven woning als de aan haar verstrekte hypothecaire geldlening in de failliete boedel valt. Met een beroep op artikel 24 Fw stelt de curator echter dat de boedel niet is gebaat met de geldlening en het hypotheekrecht zodat de boedel niet hieraan gebonden is. Omdat de vrouw de geldlening heeft aangewend om een woning voor € 157.000,00 aan te kopen, heeft de bank genoegzaam bewezen dat het boedelactief is vergroot zodat de bank een vordering op de boedel heeft. Voor wat betreft het hypotheekrecht is de Rechtbank evenwel van oordeel dat de boedel hiermee niet is gebaat in de zin van artikel 24 Fw. Strikt genomen levert dit eveneens relatieve nietigheid op in die zin dat de bank slechts in haar verhouding tot de curator het door de vrouw verstrekte zekerheidsrecht niet kan inroepen, maar dit zou leiden tot het onwenselijke gevolg dat indien de curator de woning zou willen verkopen, onder meer ten behoeve van de aflossing van de geldlening, het hypotheekrecht nog immer op de woning rust en die woning daarmee vrijwel onverkoopbaar zou worden. Dit heeft alles te maken met de nauwe verbondenheid tussen de lening en het op de woning rustende hypotheekrecht tot zekerheid van de terugbetaling van die geldlening. Omdat de woning in de boedel valt en de daartegenover staande geldlening een boedelschuld is waarvan onzeker is of die ook uit de opbrengst van de woning zal kunnen worden voldaan, dient naar het oordeel van de Rechtbank de hypothecaire zekerheid (tot terugbetaling van die geldlening) geen doel meer nu zij jegens de curator niet meer kan worden ingeroepen. De Rechtbank ziet niet in jegens wie de bank het hypotheekrecht wél zou kunnen inroepen en om die reden slechts relatief nietig zou zijn. De Rechtbank (Rb. Den Haag 15 april 2015, JOR 2015/348) oordeelt daarom dat het hypotheekrecht op de woning nietig is.

Het voorgaande laat zien hoe belangrijk het voor een notaris is om tevens kennis te hebben van de Faillissementswet. Teneinde het voor zijn cliënten beoogde resultaat te bereiken had de notaris in mijn optiek moeten adviseren om een verzoek tot opheffing van de gemeenschap in te dienen bij de Rechtbank overeenkomstig artikel 1:99 lid 1 letter d van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Nadat de gemeenschap door de beschikking van de rechter is ontbonden had de vrouw afstand kunnen doen van de gemeenschap als bedoeld in artikel 1:103 BW. Het deel van de gemeenschap waarvan afstand wordt gedaan wast aan bij het deel van de andere echtgenoot, zodat dit voor de schuldeisers uit het faillissement geen negatieve gevolgen heeft. Als de man en de vrouw vervolgens ook nog huwelijksvoorwaarden zouden opmaken met daarin een regeling omtrent de betaling van de kosten van de huishouding hebben ze hun zaken helemaal goed geregeld en had de vrouw zonder problemen een woning kunnen aankopen.