Zoeken
  1. Gemeente mag geen bouwleges heffen voor reguliere onderhoudswerkzaamheden bij renovatie monumentaal pand

Gemeente mag geen bouwleges heffen voor reguliere onderhoudswerkzaamheden bij renovatie monumentaal pand

Het Gerechtshof Arnhem heeft een aanslag gemeentelijke leges fors verminderd, omdat de gemeente onvoldoende bewijs kon leveren voor de heffingsgrondslag. De hoogte van de bouwleges wordt vastgesteld op basis van de niet op gewoononderhoud betrekking hebbende bouwkosten, terwijl de ambtenaar van de gemeente verdedigde dat de geraamde bouwkosten uitgangspunt moesten zijn.HeffingsgrondslagBij het aanvragen van een vergunning voor renovatie van een monumentaal pand heeft aanvrager de bouwkosten b...
Artikel | 28 januari 2013 | Robert Rijpstra MRICS
Het Gerechtshof Arnhem heeft een aanslag gemeentelijke leges fors verminderd, omdat de gemeente onvoldoende bewijs kon leveren voor de heffingsgrondslag. De hoogte van de bouwleges wordt vastgesteld op basis van de niet op gewoon
onderhoud betrekking hebbende bouwkosten, terwijl de ambtenaar van de gemeente verdedigde dat de geraamde bouwkosten uitgangspunt moesten zijn.

Heffingsgrondslag
Bij het aanvragen van een vergunning voor renovatie van een monumentaal pand heeft aanvrager de bouwkosten beraamd op € 250.000,00. De ambtenaar van de gemeente berekent op basis van dit bedrag de bouw- en welstandleges en legt aanvrager een aanslag op van ruim € 6.400,00. Aanvrager gaat tegen deze aanslag in bezwaar en beroep, maar de aanslag blijft gehandhaafd. In hoger beroep is met name de vraag aan orde over welk bedrag de leges verschuldigd zijn, met andere woorden wat de hoogte van de heffingsgrondslag is. Aanvrager betoogt dat hij de bouwkosten weliswaar geraamd heeft op € 250.000,00 maar dat een groot deel van de werkzaamheden behoort tot gewoon onderhoud. Volgens aanvrager dienen deze kosten niet mee te wegen bij het bepalen van de hoogte van heffingsgrondslag.

Uit artikel 229 eerste lid onder b van de Gemeentewet volgt dat rechten mogen worden geheven ter zaken van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. De Woningwet bepaalde destijds dat voor gewoon onderhoud geen bouwvergunning is vereist. Het hof is ook van oordeel dat de heffingsgrondslag dus beperkt dient te worden tot de kosten waarvoor de dienst van het gemeentebestuur wordt gevraagd. In dit geval dus het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning. Volgens het hof rust op de ambtenaar de bewijslast aannemelijk te maken waaruit de heffingsgrondslag bestaat. De ambtenaar stelt dat aanvrager op de aanvraag een bedrag van € 250.000,00 heeft ingevuld en dat aanvrager had moeten begrijpen dat daar alleen de vergunningplichtige werkzaamheden ingevuld dienden te worden. Aanvrager stelt hiertegen gemotiveerd dat een monumentenvergunning was vereist voor het gehele project en dat hij daarom de totale kosten had vermeld. De kosten van de bouwvergunningplichtige werkzaamheden zijn volgens hem niet hoger dan € 39.000,00.

Het hof oordeelt dat de ambtenaar niet voldoende kan onderbouwen dat de vergunningplichtige bouwkosten volgens hem hoger zijn en vermindert de aanslag gemeentelijke leges tot € 960,00.