De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Hof van Justitie: luchtvaartmaatschappij staat niet in voor verblijfsomstandigheden van aangeboden hotelaccommodatie bij annulering of vertraging vlucht en is niet gehouden tot vergoeding van schade

Hof van Justitie: luchtvaartmaatschappij staat niet in voor verblijfsomstandigheden van aangeboden hotelaccommodatie bij annulering of vertraging vlucht en is niet gehouden tot vergoeding van schade

Het Hof van Justitie heeft op 3 september jl. een prejudiciële beslissing gegeven die ziet op de uitleg van artikel 9 lid 1 onder b van de Verordening 261/2004 (hierna te noemen: de Verordening). Op grond van artikel 9 heeft een passagier recht op verzorging bij annulering of vertraging van de vlucht. Dit recht op verzorging bestaat onder meer uit een gratis hotelaccommodatie indien een verblijf van één of meer nachten noodzakelijk wordt of een langer verblijf noodzakelijk wordt dan het door de passagier geplande verblijf.
Auteur artikelJoanne Houwers
Gepubliceerd04 september 2020
Laatst gewijzigd04 september 2020
Leestijd 

In deze zaak was de vlucht van de passagier geannuleerd en had de luchtvaartmaatschappij de passagier ondergebracht in een hotel. Zij valt tijdens haar verblijf in het hotel en raakt ernstig gewond nadat de voorwielen van haar rolstoel vast komen te zitten in een dwarsgeul van een weg. Vervolgens vordert passagier schadevergoeding bij de luchtvaartmaatschappij.

Verwijzende rechter

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat passagiers in geval van niet-nakoming van de verplichting tot het verstrekken van accommodatie, recht hebben op compensatie voor de bedragen die noodzakelijk, passend en redelijk blijken om het verzuim van de luchtvaartmaatschappij om de verzorging van de passagier voor haar rekening te nemen, goed te maken.

Volgens de verwijzende rechter – het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken in Oostenrijk) – is het niet uitgesloten dat het Hof van Justitie de gebrekkige uitvoering van de verplichting tot verzorging in artikel 9 van de Verordening gelijkstelt met de niet-nakoming ervan. Dat zou betekenen dat er bij gebrekkige uitvoering ook een recht op compensatie zou bestaan, ook al zou het in dat geval gaan om het vergoeden van schade die hoger is dan de accommodatiekosten en die (dus) volgens de opzet van de Verordening binnen de werkingssfeer van artikel 12 vallen. Hoewel artikel 9 lid 1 onder b van de Verordening enkel spreekt over het ‘krijgen’ van een hotelaccommodatie, pleit het artikel wegens de doelstelling van de Verordening (waarborging van hoog niveau van bescherming aan passagiers) op een ruimere uitlegging van de verplichting om een accommodatie te verstrekken, aldus de verwijzende rechter.

Prejudiciële vragen

De verwijzende rechter schorst de behandeling van de zaak en verzoekt het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  1. Is een luchtvaartmaatschappij die op grond van artikel 5, lid 1 onder b), van Verordening 261/2004 bijstand als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), moet bieden, op grond van deze verordening aansprakelijk voor schade die een passagier heeft geleden wegens letsel dat is veroorzaakt door nalatigheid van het personeel van de hotelaccommodatie die door de luchtvaartmaatschappij ter beschikking is gesteld?
  2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

    Beperkt de verplichting van de luchtvaartmaatschappij als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), van Verordening 261/2004 zich ertoe voor de passagier een hotel te regelen en de kosten van deze accommodatie op zich te nemen of is de luchtvaartmaatschappij de accommodatie als zodanig verschuldigd?

Beantwoording prejudiciële vragen

Tweede prejudiciële vraag

Het Hof van Justitie gaat allereerst in op de tweede prejudiciële vraag, aangezien deze vraag ertoe strekt de inhoud van de verplichting tot verzorging te bepalen.

Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 9 van de Verordening zo moet worden uitgelegd dat de luchtvaartmaatschappij, naast het vinden van een hotelkamer en het betalen van de kosten daarvan, ook instaat voor de verblijfsomstandigheden van de hotelaccommodatie.

Het Hof van Justitie overweegt dat uit de bewoordingen van artikel 9 (‘krijgen de passagiers gratis […] hotelaccommodatie’) niet blijkt dat dat het geval is. De bewoordingen zien er (enkel) op om te voorkomen dat passagiers zelf de last van de zoektocht naar een hotelkamer en de kosten daarvan moeten dragen.

Verder oordeelt het Hof van Justitie uit de context van artikel 9 lid 1 onder b Verordening blijkt dat een luchtvaartmaatschappij niet verplicht is om het feitelijke verblijf te organiseren. Op grond van artikel 9 lid 2 Verordening dient de luchtvaartmaatschappij een passagier bijvoorbeeld de mogelijkheid te bieden om twee gratis telefoongesprekken te voeren, maar is zij niet verplicht om de daartoe noodzakelijke telecommunicatievoorzieningen te organiseren. Deze uitleg vindt bovendien steun in de doelstelling van de Verordening (waarborging van hoog niveau van bescherming aan passagiers), met name door te verzekeren dat passagiers van die de vlucht wordt geannuleerd voldoende worden verzorgd tijdens het wachten op een latere vlucht. Hieronder valt het aanbieden van een gratis hotelaccommodatie met als doel om ter plaatse te voorzien in de onmiddellijke behoeften van de passagiers. Artikel 9 lid 1 onder b Verordening bevat geen nadere regels ten aanzien van de contractuele betrekkingen die uit de nakoming van de verplichting kunnen voortvloeien.

Wel zou volgens het Hof van Justitie kunnen worden overwogen om een ruimere uitleg te geven aan de op de luchtvaartmaatschappijen rustende verplichting tot verzorging, te weten dat zij zelf instaan voor de verblijfsomstandigheden in het hotel van hun passagiers die overeenkomstig de voorwaarden en procedures die in het nationale recht gelden voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad hun luchtvaartmaatschappij in een situatie zoals in deze procedure in rechte zouden kunnen aanspreken. De Verordening heeft deze bescherming echter op beperktere wijze uitgelegd door een systeem van gestandaardiseerde en onmiddellijke bijstand in te voeren.

Eerste prejudiciële vraag

De eerste vraag ziet erop of de Verordening zo moet worden uitgelegd dat een luchtvaartmaatschappij op grond van artikel 9 Verordening kan worden verplicht de door de passagier geleden schade te vergoeden die is veroorzaakt door een fout van het personeel van dat hotel.

Allereerst oordeelt het Hof dat de hypothese van een door de luchtvaartmaatschappij begane fout waarop de eerste prejudiciële vraag is gebaseerd, berust op de onjuiste premisse dat de verplichting tot verzorging zich uitstrekt tot de omstandigheden van het verblijf van de betrokken passagiers, zodat een eventuele fout vanwege het in dit verband door de luchtvaartmaatschappij gemachtigde hotel zou kunnen betekenen dat die luchtvaartmaatschappij haar verplichting niet naar behoren is nagekomen en daarvoor aansprakelijk is.

Het Hof van Justitie stelt in navolging van de verwijzende rechter vast dat indien een luchtvaartmaatschappij de verplichting tot het aanbieden van een accommodatie niet is nagekomen, een passagier uitsluitend recht heeft op terugbetaling van bedragen die passend, noodzakelijk en redelijk zijn. Het recht op terugbetaling van deze bedragen past volledig in de logica van het bij de Verordening ten gunste van de passagiers ingevoerde stelsel van gestandaardiseerde en onmiddellijke compensatie. Deze bedragen dienen ter vergoeding van de kosten die de passagiers hebben gemaakt om dezelfde gestandaardiseerde en onmiddellijke diensten te verkrijgen als de diensten die de luchtvaartmaatschappij hun had moeten aanbieden, zonder dat daartoe de specifieke situatie van elke passagier van geval tot geval hoeft te worden beoordeeld.

De Verordening voorziet niet in de compensatie van individuele schade, waarvan de vergoeding van geval tot geval moet worden beoordeeld. De vergoeding van individuele schade als gevolg van een fout vanwege het personeel van het hotel dat door de luchtvaartmaatschappij is gekozen, zou ook vereisen dat de omvang van de schade geval per geval wordt beoordeeld. Dit gaat verder dan de gestandaardiseerde en onmiddellijke compensatie waarin de Verordening voorziet.

Conclusie

De verplichting tot het aanbieden van een gratis hotelaccommodatie bij vertraging of annulering van een vlucht op grond van artikel 9 lid 1 onder b Verordening houdt niet in dat de luchtvaartmaatschappij ook moet instaan voor de verblijfsomstandigheden als zodanig. Ook kan de luchtvaartmaatschappij niet worden verplicht om de door de passagier geleden schade te vergoeden die is veroorzaakt door een fout van het personeel van het hotel.

Voor vragen over dit artikel of de Verordening 261/2004 kunt u contact opnemen met Joanne Houwers.

T: +31 (0)24 38 13 138
E: houwers@dirkzwager.nl