Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Kredietcrisis als onvoorziene omstandigheid?

Kredietcrisis als onvoorziene omstandigheid?

18 maart 2009 onvoorz omst. Het leerstuk van de onvoorziene omstandigheden als bedoeld in art. 6:258 BW is door de kredietcrisis weer actueel geworden. De rechter kan bij een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden een overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden. Er moet dan sprake zijn van zodanige omstandigheden dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.Vrijwel niemand had voor september 200...
Auteur artikelDirkzwager
Gepubliceerd08 december 2009
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
18 maart 2009 onvoorz omst. Het leerstuk van de onvoorziene omstandigheden als bedoeld in art. 6:258 BW is door de kredietcrisis weer actueel geworden. De rechter kan bij een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden een overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden. Er moet dan sprake zijn van zodanige omstandigheden dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

Vrijwel niemand had voor september 2007 de kredietcrisis kunnen voorzien, laat staan de enorme gevolgen van de crisis. Denkbaar is dat deze gevolgen in bepaalde gevallen een onvoorzienbare omstandigheid kunnen opleveren. Echter, in de rechtspraak wordt (nog) niet veel beroep gedaan op 6:258 BW en in de weinige uitspraken die op grond van dit artikel zijn gedaan blijkt dat een dergelijk beroep niet zo eenvoudig is (zie hiervoor24 okt 2008 onvoorz.omst., 29 12 2008 onvoorz.omst., LJN BG8560, NJF 2009/34 en Rb. Zwolle-Lelystad 18 maart 2009, LJN BI2304, NJF 2009/292). Meestal komen de gevolgen van de kredietcrisis voor rekening van degene die zich op de onvoorziene omstandigheden beroept, al dan niet door bijkomende omstandigheden van het geval.

In de literatuur worden voorbeelden genoemd van de kredietcrisis als onvoorzienbare omstandigheid. Wellicht kan een gebrek aan kredietverlening of een aanzienlijke waardevermindering zo’n omstandigheid zijn.

Het eerste voorbeeld speelt onder meer bij huurders van bedrijfsruimte, die vaak voor langere tijd gebonden zijn. Werden zij geconfronteerd met een tegenvallende omzet (al dan niet veroorzaakt door tegenvallende verwachtingen omtrent de aantrekkingskracht van het project waarin werd gehuurd), dan vingen zij voor het uitbreken van de kredietcrisis bij de rechter vaak bot. De gedachte daarachter was onder meer gebaseerd op de veronderstelling dat geld kan worden geleend, zodat betalingsonmacht  in beginsel irrelevant is en voor eigen rekening van de schuldenaar dient te blijven. De huidige economische omstandigheden, die zich juist kenmerken door haperende kredietverlening, roepen de vraag op of die veronderstelling (nog) steeds onverkort opgaat.

Bij een aanzienlijke waardevermindering kan gedacht worden aan het voorbeeld dat tussen het moment waarop de prijs van de prestatie is overeengekomen en de daadwerkelijke levering of betaling van de prestatie een langere periode is gelegen en de negatieve prijsontwikkeling zich binnen die periode voordoet. Zo heeft de huidige crisis de prijzen op de markt voor onroerend goed behoorlijk onder druk gezet. In de autobranche ziet men, mede als gevolg van faillissementen van grotere marktpartijen (leasemaatschappijen, importeurs), hetzelfde verschijnsel. Een kleine waardevermindering zal niet genoeg zijn, maar een waardevermindering van 50% of meer ten opzichte van de oorspronkelijke waarde van de prestatie zou wellicht een grond kunnen opleveren.

Wellicht is een beroep op deze gronden mogelijk, al zullen de omstandigheden van het geval beslissend zijn. Daarbij moet ook worden vermeld dat voor overeenkomsten die op dit moment worden aangegaan, de kans steeds kleiner wordt dat een beroep op de kredietcrisis als onvoorziene omstandigheid slaagt, aangezien de gevolgen van de kredietcrisis nu veel meer voorzienbaar zijn.