Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Luchtvaartmaatschappij hoeft ticketprijs geannuleerde pakketreis niet terug te betalen

Luchtvaartmaatschappij hoeft ticketprijs geannuleerde pakketreis niet terug te betalen

Op 10 juli 2019 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna te noemen: het Hof) een arrest gewezen naar aanleiding van de prejudiciële vragen die de Rechtbank Noord-Nederland heeft gesteld. Het Hof volgt de A-G en oordeelt dat de luchtvaartmaatschappij de ticketprijzen van gedupeerde pakketreizigers niet hoeft terug te betalen wanneer hun pakketreis is geannuleerd, ongeacht de insolventie van de reisorganisatie. Het Hof voegt hieraan toe dat de betrokken reiziger in ieder geval de mogelijkheid heeft een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de betrokken lidstaat wegens de schade die hij als gevolg van een schending van het Unierecht leidt.
Auteur artikelJoanne Houwers
Gepubliceerd15 oktober 2019
Laatst gewijzigd15 oktober 2019
Leestijd 

Op 10 juli 2019 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna te noemen: het Hof) een arrest gewezen naar aanleiding van de prejudiciële vragen die de Rechtbank Noord-Nederland heeft gesteld. In ons vorige artikel hebben wij de conclusie van A-G Saugmandsgaard Øe besproken.

Het Hof volgt de A-G en oordeelt dat de luchtvaartmaatschappij de ticketprijzen van gedupeerde pakketreizigers niet hoeft terug te betalen wanneer hun pakketreis is geannuleerd, ongeacht de insolventie van de reisorganisatie. Het Hof voegt hieraan toe dat de betrokken reiziger in ieder geval de mogelijkheid heeft een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de betrokken lidstaat wegens de schade die hij als gevolg van een schending van het Unierecht leidt.

De feiten in het kort
Aegean is een in Griekenland gevestigde luchtvaartmaatschappij. De Nederlandse reisorganisatie Hellas heeft via een derde een aantal vliegstoelen verkregen voor vluchten van Eelde naar Corfu. Op 19 maart 2015 hebben verschillende passagiers een pakketreis geboekt bij Hellas. Wanneer Hellas in financieel zwaar weer komt, annuleert zij alle vluchten. Hellas wordt op 3 augustus 2016 failliet verklaard.

Prejudiciële vragen
De zaak gaat over de vraag of de passagiers in de hiervoor beschreven situatie met succes terugbetaling van Aegean kunnen vorderen op grond van artikel 8 lid 2 Verordening 261/2004 (hierna: de Verordening), terwijl zij op grond van artikel 4 lid 6 Richtlijn 90/134/EEG (hierna: de Richtlijn) Hellas kunnen aanspreken tot terugbetaling van de vliegtickets. Op grond van artikel 8 lid 2 Verordening heeft een passagier van wie de vlucht onderdeel is van een pakketreis bij annulering of vertraging van een vlucht recht op volledige terugbetaling van het vliegticket of een retourvlucht, tenzij het recht op terugbetaling bestaat op grond van de Richtlijn.

Bij tussenbeschikking heeft de kantonrechter het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1. Moet artikel 8 lid 2 van Verordening 261/2004 aldus worden uitgelegd dat een passagier die op grond van de (in het nationale recht geïmplementeerde) Richtlijn 90/134/EEG betreffende pakketreizen het recht heeft om zijn reisorganisator aan te spreken tot terugbetaling van zijn ticket, geen terugbetaling van de luchtvaartmaatschappij meer kan vorderen?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, kan een passagier de luchtvaartmaatschappij dan toch tot terugbetaling van zijn ticket aanspreken, indien aannemelijk is dat zijn reisorganisator, ingeval deze aansprakelijk zou worden gesteld, financieel niet in staat is om het ticket daadwerkelijk terug te betalen en die reisorganisator ook geen garantiemaatregelen heeft getroffen om terugbetaling te waarborgen?”

Conclusie A-G Saugmandsgaard Øe
De A-G concludeert dat een passagier van een pakketreis de luchtvaarorganisatie niet kan aanspreken tot terugbetaling van de ticketprijs op grond van de Verordening, wanneer hij tegelijkertijd de reisorganisatie kan aanspreken op grond van de Richtlijn.

Beantwoording van de prejudiciële vragen
Het Hof volgt de A-G en verklaart voor recht – ten nadele van de pakketreizigers – dat artikel 8 lid 2 Verordening zo moet worden uitgelegd dat een passagier die op grond van de Richtlijn het recht heeft om terugbetaling van zijn vliegticket te eisen van zijn reisorganisator, daardoor niet meer terugbetaling van dit ticket kan vorderen van de luchtvaartmaatschappij op grond van de Verordening. Dit is ook niet het geval wanneer de reisorganisator financieel niet in staat is om het ticket terug te betalen en geen enkele maatregel heeft getroffen om deze terugbetaling te waarborgen. Het Hof oordeelt dat dit uit de duidelijke bewoordingen van artikel 8 lid 2 Verordening volgt. Deze uitleg wordt bevestigd door de ontstaansgeschiedenis van de Verordening. De Uniewetgever heeft pakketreizigers niet volledig willen uitsluiten van de werkingssfeer van de Verordening, maar heeft jegens hen effecten willen handhaven van het eerder bij de Richtlijn ingevoerde stelsel waarvan geoordeeld werd dat het voldoende bescherming bood.

Artikel 8 lid 2 Verordening heeft daarom tot gevolg dat de rechten op terugbetaling van een vliegticket niet cumulatief kunnen worden toegepast. Het Hof stelt dat een dergelijke cumulatieve toepassing zou leiden tot een ongerechtvaardigde overmatige bescherming van de betrokken passagier ten koste van de luchtvaartmaatschappij, aangezien deze laatste in dat geval immers het risico loopt en deel van de aansprakelijkheid te moeten overnemen die op de reisorganisator rust.

De Uniewetgever heeft juist in aanmerking genomen dat het in de Richtlijn neergelegde stelsel voldoende bescherming biedt tegen de gevolgen van een faillissement. Artikel 7 en overweging 21 van de Richtlijn bepalen immers dat de reisorganisator dient aan te tonen dat hij over voldoende garanties beschikt om in geval van insolvabiliteit of faillissement te zorgen voor terugbetaling van reeds betaalde bedragen.

Garanties
Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat een nationale regeling de bij de in artikel 7 Richtlijn opgelegde verplichtingen slechts correct omzet wanneer zij tot resultaat heeft dat de terugbetaling van alle betaalde bedragen aan de passagier bij faillissement van een reisorganisator daadwerkelijk gegarandeerd is. Ontbreekt een dergelijke garantie, dan heeft de betrokken reiziger in ieder geval de mogelijkheid een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de betrokken lidstaat wegens de schade die hij als gevolg van een schending van het Unierecht heeft geleden.

Ten tijde van het wijzen van dit arrest gold de Richtlijn, welke thans is vervangen door de Richtlijn 2015/2302/EU (hierna te noemen: de Richtlijn 2015/2302). Als gevolg van de implementatie van de Richtlijn 2015/2302 is de nationale regelgeving ook veranderd. Ten aanzien van de oude nationale regelgeving die was gebaseerd op de Richtlijn, oordeelde het Hof dat deze de terugbetaling van de bedragen aan de passagiers niet daadwerkelijk garandeerde. De vraag doet zich voor of de nieuwe regelingen wel voldoende bescherming bieden.

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat een lidstaat niet verplicht is een controlesysteem voor de garantiebedragen tot stand te brengen. Het instellen daarvan is niet noodzakelijk om de doelstellingen van de Richtlijn 2015/2302 te bereiken. De Nederlandse wetgever heeft ervoor gekozen een systeem te hanteren waarbij de Autoriteit Consument & Markt toezicht houdt op het naleven van de in Titel 7A BW neergelegde verplichtingen, waaronder de verplichting dat reisorganisatoren maatregelen nemen die nodig zijn om te verzekeren dat een instantie instaat voor de bescherming van de reizigers in geval van insolventie (artikel 2.2 jo. 8.7 Wet handhaving consumentenbescherming jo. artikel 513a van Boek 7 BW).

Uit het Rechtberger-arrest volgt de nationale regeling tot dekking van het risico voldoende waarborgen biedt dat de gedupeerde reizigers worden terugbetaald. De zekerheid dient een voldoende hoog percentage van de pakketreizenomzet van de organisator te bestrijken. Onder het nieuwe recht heeft de wetgever in artikel 513a lid 2 van Boek 7 BW enkele posten opgesomd welke in ieder geval door de maatregelen gedekt moeten worden.

De reisorganisatie moet vóórdat de reiziger is gebonden aan de pakketreisovereenkomst of een daarmee overeenstemmend aanbod, een standaardformulier (Bijlage I van Richtlijn 2015/2302) verstrekken, waarin onder meer staat welke instantie instaat voor de bescherming bij insolventie. Daarnaast is de reisorganisator op grond van artikel 504 lid 3 van Boek 7 BW in de pakketreisovereenkomst of bij de bevestiging ervan de reiziger informeren over de gegevens van deze instantie.

Onder het oude recht moest informatie betreffende de in artikel 512 van Boek 7 BW (oud) bepaalde maatregelen vóór het sluiten van de reisovereenkomst door de reisorganisator schriftelijk of op andere begrijpelijke en toegankelijke wijze aan de reiziger bekend worden gemaakt, voor zover die gegevens nog niet bekend zijn door verstrekking van de algemeen verkrijgbare prospectus of andere publicatie (artikel 501 van Boek 7 BW (oud)).

Conclusie
Indien pakketreizigers te maken krijgen met een insolvente reisorganisatie, kunnen zij zich niet wenden tot de luchtvaartmaatschappij voor de terugbetaling van hun tickets wanneer hun vlucht is vertraagd of geannuleerd. Het arrest van het Hof komt in die zin overeen met de conclusie van A-G Saugmandsgaard Øe. De reisorganisator dient aan te tonen over voldoende garanties te beschikken om in geval van insolvabiliteit of faillissement te zorgen voor terugbetaling van reeds betaalde bedragen. Een nationale regeling zet de bij artikel 7 Richtlijn opgelegde verplichtingen slechts correct om indien zij de terugbetaling van alle betaalde bedragen aan de passagiers daadwerkelijk garandeert. Ontbreekt zo’n garantie, dan heeft de reiziger de mogelijkheid een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de lidstaat wegens de schade die hij als gevolg van de schending van het Unierecht heeft geleden.