Zoeken
  1. Mag de belastingdienst onbeperkt erfbelasting navorderen over buitenlands vermogen?

Mag de belastingdienst onbeperkt erfbelasting navorderen over buitenlands vermogen?

Indien een aanslag ten onrechte niet is opgelegd of tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Daarbij geldt wel een beperking: een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Dit laatste wordt ook het “nieuw feit vereiste” genoemd.In zijn algemeenheid vervalt de bevoe...
Artikel | 14 februari 2018 | Ton Lekkerkerker
Indien een aanslag ten onrechte niet is opgelegd of tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Daarbij geldt wel een beperking: een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Dit laatste wordt ook het “nieuw feit vereiste” genoemd.

In zijn algemeenheid vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

Op die regel is een uitzondering: indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

Edelweissroute
In 2011 kwam de zogenaamde Edelweissroute in de bekendheid. Bij deze route ging het om zwart geld, vaak gestald in Zwitserland (vandaar Edelweiss) waarbij de erflater bepaalde dat een executeur pas na twaalf jaar na overlijden dit zwarte vermogen aan de erfgenamen bekend mocht maken. Daarmee was er geen mogelijkheid meer voor de belastingdienst om een navorderingsaanslag op te leggen: de twaalf jaar waren immers vestreken.

De Edelweissroute is uiteraard als fiscale fraude te bestempelen. Maar daarmee was niet gezegd dat daarmee fiscaal bestreden kon worden. In 2011 was dit tijdens de behandeling van de Overige fiscale maatregelen onderwerp van gesprek. Twee Kamerleden hebben toen een amendement ingediend, met als motivering: wie een deel van de erfenis verzwijgt, moet ook na de verjaringstermijn van twaalf jaar nog aangesproken kunnen worden op het verzwegen geld.

Uiteindelijk is per 1 januari 2012 in de wet (in artikel 66 lid 3 Successiewet) opgenomen dat voor de erfbelasting over buitenlands vermogen geen verjaringstermijn geldt. Deze wetswijziging ging onmiddellijk in.

Procedures
Deze wetswijziging heeft geleid tot fiscale procedures. De belangrijkste procedure betreft het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2017.

De feiten lagen als volgt. Op 29 december 1998 is de moeder van X overleden. De moeder beschikte over een Zwitserse bankrekening, die buiten het zicht van de fiscus was gehouden. X doet in 1999 aangifte erfbelasting en neemt de Zwitserse bankrekening daar niet in op. In 2014 maakt X gebruik van de inkeer regeling (korte uitleg??) en maakt melding van de Zwitserse bankrekening. De inspecteur legt in 2014 een navorderingsaanslag successierecht op over het Zwitserse vermogen. Op 1 januari 2012 (de inwerkingtreding van de wetswijziging), was de twaalf jaarstermijn verstreken. X vond dat de inspecteur in 2014 niet meer het recht had om na te vorderen. De Hoge Raad stelt X in het gelijk. Volgens de Hoge Raad geldt de onbeperkte navorderingstermijn niet als op 1 januari 2012 de twaalfjaarstermijn reeds was verstreken. De wetgever heeft geen herleving van een niet meer bestaande navorderingsbevoegdheid beoogd.

Dezelfde problematiek was aan de orde in een geval waarover de Rechtbank Gelderland op 30 januari 2018 heeft beslist . De feiten lagen daar als volgt. In 2000 is de vader van A overleden. A was enig erfgenaam. In de aangifte erfbelasting was geen melding gemaakt van een Duitse bankrekening van ruim €325.000. In 2014 heeft A gebruik gemaakt van de zogenaamde “inkeerregeling” (de toen bestaande mogelijkheid om schoon schip te maken bij de belastingdienst voor niet opgegeven inkomen of vermogen) en daarbij melding gemaakt van de Duitse bankrekening. De inspecteur legt in 2016 een navorderingsaanslag successierecht op van ruim € 70.000.

A stelt zich op het standpunt dat de inspecteur in 2016 niet meer bevoegd was om na te vorderen. Volgens A was deze bevoegdheid twaalf jaar na het overlijden, dus in 2012 komen te vervallen. Verder vindt A dat de onbeperkte navorderingstermijn  in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. De rechtbank stelt A op alle punten in het ongelijk. De rechtbank constateert dat de wijziging van artikel 66, lid 3 van de Successie wet, op 1 januari 2012? onmiddellijk in werking is getreden. Daarnaast verwijst de rechtbank naar het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2017. Op 1 januari 2012 was de twaalfjaarstermijn nog niet verstreken. De vader van A was immers in 2000 overleden. De inspecteur was volgens de rechtbank bevoegd om na te vorderen.

Conclusie
Voor alle gevallen met buitenlands vermogen waarin op 1 januari 2012 de twaalfjaarstermijn al was verstreken, is geen sprake van een onbeperkte navorderingstermijn. Voor gevallen waarin op 1 januari 2012 de twaalfjaarstermijn nog niet voorbij was, is een onbeperkte navorderingstermijn ontstaan.

Ton Lekkerkerker