Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Nieuwe wetgeving tegen misbruik met plof-BV’s bij turboliquidatie

Nieuwe wetgeving tegen misbruik met plof-BV’s bij turboliquidatie

In een brief aan de Tweede Kamer heeft de Minister voor Rechtsbescherming (Sander Dekker) aangekondigd dat hij fraude met zogenaamde ‘plof-BV’s’ te lijf wil gaan met nieuwe wetgeving. Door een aanscherping van de verantwoordingsplicht van het bestuur wil de minister vooral de positie van schuldeisers bij turboliquidaties verbeteren.
Auteur artikelImke Poos
Gepubliceerd21 oktober 2019
Laatst gewijzigd23 oktober 2019
Leestijd 

Ontbindingswijzen

Voor het ontbinden van een BV is normaliter een ontbindingsbesluit nodig van de aandeelhoudersvergadering. Na ontbinding moet er – als er nog vermogen in de rechtspersoon aanwezig is – vereffening plaatsvinden ter voldoening van de schuldeisers. In het geval de schulden de baten overtreffen, volgt in beginsel faillissement.

De turboliquidatie op grond van artikel 2:19 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek is in het leven geroepen voor situaties waarin er niets meer te vereffenen valt, dat wil zeggen wanneer de BV op het tijdstip van de ontbinding geen baten meer heeft. Het gaat over ‘lege vennootschappen’: vennootschappen waar in feite geen activiteiten meer plaatsvinden en waarbij activa ontbreken.

Een BV kan door middel van een turboliquidatie op een eenvoudige en goedkope wijze worden ontbonden. De algemene vergadering van aandeelhouders van de BV zonder activa hoeft enkel een ontbindingsbesluit te nemen, waarna het bestuur bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel om opheffing en uitschrijving verzoekt. De BV hoeft geen vereffenaar(s) te benoemen en houdt direct na het nemen van het ontbindingsbesluit op te bestaan. Er is bovendien geen verplichting schuldeisers hierover te informeren. Vanwege het gemak en de snelheid waarmee een rechtspersoon op deze wijze ontbonden kan worden, spreekt men van turboliquidatie.

Fraudegevoeligheid

De reden om in 1994 de mogelijkheid van turboliquidatie in de wet te creëren, was tweeledig. Ten eerste wilde de wetgever het aantal lege of inactieve vennootschappen terugdringen om misbruik te voorkomen. Het is voor fraudeurs immers aantrekkelijk om een inactieve vennootschap op te kopen als dekmantel voor malafide activiteiten, omdat een langer bestaande vennootschap de indruk kan wekken dat de onderneming legitiem is. Ten tweede beoogde de wetgever de registers waarin lege vennootschappen waren ingeschreven op te schonen om kosten te besparen en actuele informatie te bieden.

Beide redenen zijn nog steeds aan te voeren om het bestaan van de turboliquidatie te rechtvaardigen, maar intussen is er meer aandacht voor de fraudegevoeligheid van de wetgeving. Uit onderzoek van de Belastingdienst blijkt dat er bij maar liefst één op de vijf turboliquidaties mogelijk sprake is van misbruik.

Bij de turboliquidatie is er namelijk geen entiteit die controleert of er daadwerkelijk geen baten aanwezig zijn. Het is voor fraudeurs dus kinderlijk eenvoudig om een BV met een aantal schuldeisers door middel van een turboliquidatie te laten ‘ploffen’ om vereffening of faillissement te ontgaan. De BV houdt dan onmiddellijk op te bestaan en de schuldeisers hebben het nakijken.

Schuldeisers kunnen enkel bij de rechtbank verzoeken om heropening van de vereffening als blijkt dat er toch baten aanwezig zijn bij de opgeheven rechtspersoon. Onder de huidige wetgeving is dat echter een lastige opgaaf: schuldeisers hebben door het ontbreken van een verantwoordingsplicht van het bestuur immers veelal weinig inzicht in de financiële positie van de ontbonden rechtspersoon.

Nieuwe wetgeving

De minister erkent het risico van de turboliquidatie, maar acht het nog steeds van belang dat rechtspersonen eenvoudig zijn op te heffen als de activiteiten worden gestaakt en er geen baten meer zijn – ook als er nog wel schulden zijn. Wel wil de minister met de nieuwe wetgeving de rechtsbescherming van schuldeisers verbeteren. Hij wijst erop dat schuldeisers veelal pas achteraf op de hoogte raken van liquidatie en dat daarbij informatie over de financiële situatie van de rechtspersoon ontbreekt. Een aantal maatregelen moet daar verandering in brengen.

Ten eerste stelt de minister voor dat het bestuur verplicht wordt gesteld tot opstelling en deponering van een slotbalans en een verklaring waarom baten ontbreken. Daarnaast moet het bestuur zorgen voor een algemene bekendmaking van de ontbinding zonder vereffening. Tot slot wordt voor doorhaling van de rechtspersoon in het handelsregister vereist dat de jaarrekeningen over alle voorgaande boekjaren openbaar gemaakt zijn (tenzij daarvoor een ontheffing geldt). Het is vervolgens aan schuldeisers die kennisnemen van een turboliquidatie en de financiële situatie bij de rechtspersoon of zij stappen willen ondernemen.

Tot slot

De wetgeving is nog in de maak, wat betekent dat de beoogde regeling nog enige tijd op zich zal laten wachten. De minister zal de komende tijd met belanghebbende partijen in overleg treden over de invulling van de beoogde verbeteringen en naar verwachting in de loop van 2020 een voorontwerp voor wetswijziging ter consultatie aanbieden. Wij houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.