De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Onderhandelingen maken nog geen (koop)overeenkomst!

Onderhandelingen maken nog geen (koop)overeenkomst!

In sommige gevallen kan een partij ervan overtuigd zijn dat er tijdens de onderhandelingen al een koopovereenkomst tot stand is gekomen, terwijl dat vanuit juridisch oogpunt nog niet het geval is. Wanneer komt een koopovereenkomst eigenlijk tot stand? En mocht er geen koopovereenkomst tot stand zijn gekomen, in hoeverre kun je een partij verplichten tot dooronderhandeling? Ik beantwoord deze vraag aan de hand van een uitspraak van de Rechtbank Overijssel.
Leestijd 
Auteur artikel Joanne Houwers
Gepubliceerd 15 juni 2021
Laatst gewijzigd 15 juni 2021
 

Feiten

Alle (vier) partijen in deze zaak zijn aandeelhouders van een vennootschap. Drie aandeelhouders (hierna te noemen ‘de Aandeelhouders’) hebben de samenwerking met de andere aandeelhouder (hierna te noemen ‘de Aandeelhouder’) aan de kaart gesteld. De Aandeelhouder heeft daaropvolgend aan de Aandeelhouders verzocht een voorstel te doen met betrekking tot de overname van haar aandelen in de vennootschap. Vervolgens hebben de Aandeelhouders een door de Aandeelhouder gedaan voorstel tot overname van haar aandelen van de hand gewezen.


Partijen hebben een deskundige verzocht de gehele waarde van de aandelen te waarderen. Na deze waardering hebben de Aandeelhouders ervan afgezien om de waarde van de aandelen van de Aandeelhouder over te nemen.
De Aandeelhouder gaat daar niet mee akkoord en is van mening dat er reeds een koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Zij sommeert de Aandeelhouders dan ook tot overname van haar aandelen conform de waardering van de deskundige. Daar denken de Aandeelhouders echter anders over.

Procedure

De Aandeelhouder initieert een procedure waarin zij primair nakoming van de koopovereenkomst vordert. De Aandeelhouder is van mening dat partijen over alle essentialia van de koopovereenkomst overeenstemming hebben bereikt en de Aandeelhouders haar aandelen moeten afnemen tegen betaling van de gewaardeerde prijs.
Mocht de rechtbank daar niet in meegaan, vordert de Aandeelhouder secundair dooronderhandeling over en weer op basis van de tussen partijen vastgelegde afspraken totdat er een koopovereenkomst tussen partijen is gesloten of alle partijen instemmen met beëindiging van de onderhandelingen zonder dat er een koopovereenkomst tot stand komt. Volgens de Aandeelhouder is er sprake van een gerechtvaardigd ‘totstandkomingsvertrouwen’ waardoor het de Aandeelhouders niet meer vrij staat om onderhandelingen af te breken.


De Aandeelhouders voeren verweer en menen dat er geen spoedeisend belang bestaat en dit een declaratoir vonnis is, wat in kort geding niet mogelijk is. Verder stellen de Aandeelhouders zich op het standpunt dat er geen bindende koopovereenkomst tot stand is gekomen en zij ook niet verplicht zijn tot dooronderhandelen.

Beoordeling door voorzieningenrechter

Spoedeisend belang?

De rechtbank oordeelt dat er wel een spoedeisend belang is. Tot op heden zijn partijen namelijk niet in staat gebleken om een regeling te treffen met betrekking tot de koop en levering van de aandelen van de Aandeelhouder, ondanks de gezamenlijke inschakeling van de deskundige.

Declaratoir?

In de vordering van de Aandeelhouder ligt het vaststellen van een rechtstoestand besloten. Dat verdraagt zich niet goed met het voorlopige karakter van een kort geding waarin een declaratoir vonnis niet mogelijk is, aldus de rechtbank. Dat kan anders zijn indien sprake is van erkenning of als uit de stukken evident volgt dat sprake is van een volmaakte overeenkomst (wat overigens door de Aandeelhouders wordt betwist). Om die reden wenst de rechter partijen enigszins duidelijkheid te bieden over de vraag of tussen hen een rechtsverhouding bestaat.

Overeenkomst tot stand gekomen?

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). Er dient vast komen te staan dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de hoofdzaken van de overeenkomst. Indien dat niet het geval is, dan is niet voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 6:227 BW.

De rechtbank oordeelt dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de koopovereenkomst, omdat niet aannemelijk is geworden dat de Aandeelhouders het aanbod van de Aandeelhouder hebben aanvaard. De rechtbank komt tot dit oordeel op de volgende gronden.

De aandelen van de Aandeelhouder in de vennootschap zijn het voorwerp van de koopovereenkomst. Partijen hebben voornamelijk onderhandeld over de koopprijs in welk kader de deskundige is ingeschakeld. De rechtbank oordeelt dat de Aandeelhouder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat partijen het met elkaar eens zijn geworden over de koopprijs van de aandelen, een essentieel aspect van een koopovereenkomst.

In artikel 14 van de statuten van de vennootschap en artikel 8 van de aandeelhoudersovereenkomst is een blokkeringsregeling/aanbiedingsplicht opgenomen. De vastgestelde waarde van de aandelen van de vennootschap door de deskundige kan volgens de rechtbank slechts worden gezien als een aanbod als bedoeld in artikel 14 van de statuten. De rechtbank oordeelt dat de Aandeelhouders niet gehouden zijn om dit aanbod zonder meer te aanvaarden. De Aandeelhouder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Aandeelhouders zich bij voorbaat hebben gecommitteerd aan de vastgestelde waarde als te betalen koopprijs. Sterker nog, de Aandeelhouders hebben in een e-mail zich expliciet het recht voorbehouden om na vaststelling van de waarde van de aandelen af te zien van de overname van de aandelen.

De primaire vordering wordt afgewezen.

Plicht tot dooronderhandeling?

Verder komt de rechtbank tot het oordeel dat het de Aandeelhouders vrijstond om de onderhandelingen met de Aandeelhouder over een koopovereenkomst af te breken. Er bestond voor de Aandeelhouders dus geen dooronderhandelingsplicht.

Uitgangspunt is namelijk dat elke onderhandelende partij – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.

Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. 

De beoordeling van de vraag of het afbreken van onderhandelingen onaanvaardbaar is, is een strenge maatstaf.
Volgens de Aandeelhouders had de Aandeelhouder niet duidelijk gemaakt op basis van welke reeds gemaakte afspraken tussen partijen zou moeten worden dooronderhandeld. Partijen hebben immers enkel afgesproken dat de Aandeelhouder haar aandelen op grond van artikel 14 van de statuten zal aanbieden en een deskundige zal worden ingeschakeld om de waarde te bepalen.

Ook betwisten de Aandeelhouders dat zij op enig moment een dusdanig bij de Aandeelhouder vertrouwen hebben gewekt dan wel sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan zij tot dooronderhandelen gehouden zijn. Zo heeft de Aandeelhouder (en niet de Aandeelhouders) het initiatief genomen tot overdracht van de aandelen over te gaan.

Aangezien Aandeelhouder de stellingen van de Aandeelhouders onvoldoende heeft weersproken, wijst de rechtbank de subsidiaire vordering tot dooronderhandeling af.

Conclusie

Voor de totstandkoming van een overeenkomst is het belangrijk dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de hoofdzaken van de overeenkomst. In bovenstaande kwestie hadden partijen enkel met elkaar afgesproken dat de aandelen zouden worden gewaardeerd door een deskundige en zouden worden aangeboden aan de Aandeelhouders. Partijen hebben onderhandeld over de koopprijs, maar zijn het daarover niet eens geworden.


Voor een succesvol beroep op de vordering tot dooronderhandeling moet vaststaan dat het afbreken van de onderhandelingen op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de Aandeelhouder in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Dergelijke omstandigheden heeft de Aandeelhouder niet aangevoerd.