Zoeken
  1. Oprichten BV geen oplossing voor vermindering AWBZ-bijdrage

Oprichten BV geen oplossing voor vermindering AWBZ-bijdrage

Het vermogen van A is vanwege haar geestelijke gesteldheid onder bewind gesteld conform artikel 431 van Boek 1 Burgerlijk Wetboek. Aangezien A over een aanzienlijk bedrag aan spaargeld beschikt, moet zij een hoge AWBZ-bijdrage betalen. Hierdoor neemt haar vermogen snel af, hetgeen niet kan worden gecompenseerd met risicoloze beleggingen.De bewindvoerder acht het in het belang van A om over een aanzienlijk vermogen te blijven beschikken en wilde dit realiseren door het vermogen van A in te bre...
Artikel | 02 september 2014 | Marèl Baak
Het vermogen van A is vanwege haar geestelijke gesteldheid onder bewind gesteld conform artikel 431 van Boek 1 Burgerlijk Wetboek. Aangezien A over een aanzienlijk bedrag aan spaargeld beschikt, moet zij een hoge AWBZ-bijdrage betalen. Hierdoor neemt haar vermogen snel af, hetgeen niet kan worden gecompenseerd met risicoloze beleggingen.

De bewindvoerder acht het in het belang van A om over een aanzienlijk vermogen te blijven beschikken en wilde dit realiseren door het vermogen van A in te brengen in een BV. Voor de oprichting van een BV heeft de bewindvoerder toestemming nodig van A. A was echter niet in staat toestemming te verlenen, waardoor conform artikel 441 Boek 1 Burgerlijk Wetboek de machtiging van de kantonrechter was vereist.

De kantonrechter en in hoger beroep ook Hof Den Bosch (21 augustus 2014, F 200.144.625/01) hebben het verzoek afgewezen. Door de oprichting van een BV zou het vermogen van A aan het met wettelijke waarborgen omklede stelsel van toezicht door de kantonrechter worden onttrokken.
De argumenten van de bewindvoerder dat het vermogen van A zichtbaar blijft in de aangifte inkomstenbelasting en uit de jaarstukken van de BV, hebben het Hof niet kunnen overtuigen. Het Hof stelt dat het vermogen van A wordt verplaatst naar de rechthebbende van de BV die een afzonderlijke juridische entiteit vormt. Vanaf dat moment wordt het vermogen beheerd door de bestuurder van de BV, zijnde de bewindvoerder.
Hoewel in de oprichtingsakte van de BV is bepaald dat -zolang A aandeelhouder is- de bestuurder jaarlijks rekening en verantwoording over het gevoerde beleid aan de kantonrechter zal afleggen, ontbreekt hierbij een wettelijke sanctie op het overtreden van deze bepaling.
Verder stelt het Hof dat er geen wettelijke grondslag bestaat op grond waarvan de kantonrechter goed- of afkeuring kan verlenen aan de door de bestuurder van de BV verrichte beheershandelingen. Ook kan de kantonrechter geen aanwijzingen geven aan het bestuur omtrent het te voeren beheer over het vermogen van de BV. Dit heeft tot gevolg dat er geen wettelijke basis is voor het toezicht door de kantonrechter op het vermogen van de BV, waardoor het de bewindvoerder vrij staat over het vermogen te beschikken en beheershandelingen te verrichten. Het Hof is aldus van mening dat de kantonrechter het verzoek om machtiging te verlenen aan de oprichting van een BV terecht heeft afgewezen.