Zoeken
  1. Overdrachtsbelasting door aandelenoverdracht binnen drie jaar na juridische splitsing

Overdrachtsbelasting door aandelenoverdracht binnen drie jaar na juridische splitsing

Al eerder schreef ik over de eventuele verschuldigdheid van overdrachtsbelasting bij een (af)splitsing. In de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 is in artikel 15 lid 1 onderdeel h een vrijstelling opgenomen voor overdrachtsbelasting bij de verkrijging van onroerende zaken krachtens een (af)splitsing. De voorwaarden waaronder deze vrijstelling van toepassing is, zijn opgenomen in artikel 5c van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer 1971. Op grond van dit artikel is de vrijstelling wegens splitsing niet toepasbaar als de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, en dus niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering. Indien aandelen in de gesplitste vennootschap dan wel in de verkrijgende vennootschap worden vervreemd aan een niet met de gesplitste of verkrijgende vennootschap verbonden lichaam, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
Auteur artikelMarèl Baak
Gepubliceerd30 mei 2018
Laatst gewijzigd30 mei 2018
Leestijd 

Casus

Bij de Rechtbank Den Haag (2 februari 2018, nr SGR 17/2028) was het navolgende in geschil.

BV A heeft een deel van haar vermogen afgesplitst naar BV B, waarvan zij bij de splitsing alle aandelen verkreeg. Tot het afgesplitste vermogen behoorden onroerende zaken. In het splitsingsvoorstel staat vermeld dat de verkrijging door BV B van de onroerende zaken, onderhevig is aan de heffing van overdrachtsbelasting.
De aandelen in BV B zijn een dag na het passeren van de akte van splitsing verkocht aan BV C.
BV B heeft het in de akte van splitsing genoemde bedrag aan overdrachtsbelasting vervolgens op aangifte voldaan.

In geschil is of BV B de overdrachtsbelasting terecht heeft voldaan. BV B stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, aangezien de verkrijging van de onroerende zaken is vrijgesteld op grond van voormelde splitsingsvrijstelling.

Nu de aandelen in BV B, de verkrijgende vennootschap, binnen drie jaar na de splitsing zijn vervreemd aan BV C, een niet verbonden lichaam, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. BV B heeft daartoe aangevoerd dat het concern had gekozen voor een nieuwe marktstrategie met als doel efficiënter te kunnen werken, concurrerend te blijven en te kunnen blijven groeien. Door de splitsing bleven de kernactiviteiten over. Er is gekozen voor splitsing omdat aan het alternatief, een activa-passivatransactie, nadelen verbonden waren.

De rechtbank oordeelt dat BV B met hetgeen zij heeft aangevoerd niet in de bewijslast is geslaagd. Een afsplitsing met het oog op een verkoop van een deel van de onderneming is niet gebaseerd op bedrijfseconomische, maar op aandeelhoudersmotieven. Hoewel het afstoten van activiteiten op zichzelf zal zijn ingegeven door zakelijke overwegingen, maakt dat niet dat ook de keuze om dit in de vorm van een afsplitsing te doen door zakelijke overwegingen is ingegeven. De door eiseres gestelde nadelen van een activa-passiva transactie zijn slechts praktische problemen. Ook het feit dat op een andere manier overdrachtsbelasting kon worden voorkomen, doet niet terzake. Nu BV B er volgens de Rechtbank niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de afsplitsing heeft plaatsgevonden op zakelijke gronden, wordt deze geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De verschuldigde overdrachtsbelasting is terecht voldaan.