Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Rechtbank Breda: Bedrijfsopvolgingsfaciliteit Successiewet discrimineert niet-ondernemers (1)

Rechtbank Breda: Bedrijfsopvolgingsfaciliteit Successiewet discrimineert niet-ondernemers

Op 13 juli 2012 heeft de Rechtbank Breda een zeer opmerkelijke –en nu al geruchtmakende- uitspraak gedaan (Rechtbank Breda 11/5509, LJN BX3386). De Rechtbank oordeelde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (“BOF”) van 2007 in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Door de Rechtbank we...
Auteur artikelTon Lekkerkerker
Gepubliceerd10 augustus 2012
Laatst gewijzigd16 april 2018
Leestijd 
Op 13 juli 2012 heeft de Rechtbank Breda een zeer opmerkelijke –en nu al geruchtmakende- uitspraak gedaan (Rechtbank Breda 11/5509, LJN BX3386). De Rechtbank oordeelde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (“BOF”) van 2007 in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Door de Rechtbank werd daardoor de BOF ook toegepast op de ververving van privé vermogen, waarvoor de BOF niet geschreven is. Alhoewel deze uitspraak zag op een specifieke situatie, kan deze toch grote gevolgen hebben voor nog niet definitief opgelegde aanslagen erfbelasting en schenkbelasting.

De feiten in het berechte geval lagen als volgt. In 2007 erfde belanghebbende verpachte landbouwgronden, machines en een boerderij. Het stond vast dat geen sprake was van ondernemingsvermogen, maar van privé-vermogen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat het niet toekennen van de BOF een ongeoorloofde discriminatie opleverde. Hij stelde dat aan hem ook de BOF toe zou moeten komen, waardoor 75% van de verkrijging vrijgesteld zou zijn van successierecht.

De Rechtbank gaat zeer uitgebreid in op de (wets-)geschiedenis van de BOF. De achtergrond is het voorkomen  van liquiditeitsproblemen als ondernemingsvermogen wordt geschonken, of vererft. In de loop van de jaren is de regeling steeds meer verruimd. De Rechtbank komt na uitvoerige overwegingen tot de conclusie dat de BOF in de loop van de jaren veel ruimer is geworden dan te rechtvaardigen is. Zo is in de huidige regeling niet van belang of er daadwerkelijke liquiditeitsproblemen zijn. Alles afwegende concludeert de Rechtbank dat sprake is van een onaanvaardbare discriminatie bij de belastingheffing tussen ondernemingsvermogen en privé-vermogen. Op grond daarvan wordt de BOF door de Rechtbank ook toegepast bij de vererving van het privévermogen. Daardoor werd de aanslag van belanghebbende aanzienlijk verminderd.

Gevolgen uitspraak
De uitspraak heeft tot grote consternatie geleid. Er zijn Kamervragen gesteld. Het Ministerie van Financiën heeft aangekondigd in beroep te gaan. Uiteindelijk zal naar verwachting de Hoge Raad zijn oordeel moeten geven. Het is aan te bevelen om zolang in hoogste instantie nog geen definitief oordeel is gegeven bezwaar aan te tekenen tegen alle openliggende aanslagen schenk- en erfbelasting. Daarbij kan verwezen worden naar deze procedure.