De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Redelijkheid en billijkheid verlengen betaaltermijn restitutie vliegtickets

Redelijkheid en billijkheid verlengen betaaltermijn restitutie vliegtickets

Als gevolg van de COVID-19 pandemie hebben veel luchtvaartmaatschappijen vluchten moeten annuleren. Op grond van de Verordening kunnen passagiers verzoeken om terugbetaling van de ticketprijs. Volgens artikel 8 lid 1 sub 1 onder a van de Verordening dient deze terugbetaling binnen zeven dagen plaats te vinden. Maar wat is een redelijke termijn onder deze omstandigheden?
Leestijd 
Auteur artikel Gerard den Hertog
Gepubliceerd 16 juni 2021
Laatst gewijzigd 16 juni 2021
 

Als gevolg van de COVID-19 pandemie hebben veel luchtvaartmaatschappijen vluchten moeten annuleren. Op grond van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) kunnen passagiers verzoeken om terugbetaling van de ticketprijs. Volgens artikel 8 lid 1 sub 1 onder a van de Verordening dient deze terugbetaling binnen zeven dagen plaats te vinden.

Recentelijk heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland zich uitgelaten over deze betaaltermijn in het voordeel van de luchtvaartmaatschappijen.

Feiten en omstandigheden

Passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten met Transavia. Als gevolg van de COVID-19 pandemie en maatregelen heeft Transavia de vlucht moeten annuleren waarna aan passagiers een voucher is aangeboden. Passagiers hebben zich gewend tot een claimbureau om betaling in contanten te vorderen. Het betreffende claimbureau heeft vervolgens Transavia verzocht het bedrag terug te betalen. Transavia is bereid terugbetaling te verrichten, maar dient hiervoor een systeem op te zetten dat binnen afzienbare tijd beschikbaar komt. De passagiers en het claimbureau gaan hiermee niet akkoord en initiëren een procedure.

Tussen het claimbureau en de gemachtigde van Transavia vindt verdere communicatie plaats waarbij wederom wordt bevestigd dat Transavia bereid is de terugbetaling te verrichten. Vervolgens gaat Transavia over tot betaling van de reissom en (een deel van de) proceskosten, echter wordt de procedure voortgezet nu het claimbureau ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente wil zien.

Transavia betwist de (resterende) vordering. Zij voert aan dat zij voor aanvang van de procedure meermaals uitdrukkelijk heeft toegezegd de terugbetaling van de reissom te verrichten. Verder meent Transavia dat de buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar zijn en dat wettelijke rente niet vanaf zeven dagen na annulering van de vlucht verschuldigd is.

Beoordeling

Passagiers stellen dat op grond van artikel 8 lid 1 sub 1 van de Verordening terugbetaling binnen zeven dagen dient plaats te vinden indien een vlucht wordt geannuleerd. Ten eerste merkt de kantonrechter op dat de Verordening niet heeft voorzien in een situatie zoals de COVID-19 pandemie waarbij alle luchtvaartmaatschappijen nagenoeg alle vluchten moeten annuleren gedurende een bepaalde periode. De termijn van zeven dagen is in deze situatie in redelijkheid niet haalbaar, aldus de kantonrechter. Verder merkt de kantonrechter – in mijn ogen terecht – op dat uit de bewoording van het artikel niet valt af te leiden op welk moment de betaaltermijn van zeven dagen aanvangt. Deze termijn zou niet eerder kunnen aanvangen dan wanneer een passagier een keuze kenbaar heeft gemaakt tussen de opties zoals vermeld in artikel 8 lid 1 van de Verordening, te weten terugbetaling van de reissom of een alternatieve vlucht. In geval van annulering op initiatief van de luchtvaartmaatschappij zal dit vaak dezelfde dag zijn, de dag van de vlucht. Uit de correspondentie die is overgelegd in de procedure blijkt niet op welk moment passagiers expliciet hebben verzocht om terugbetaling.

Voor zover de datum van ingebrekestelling geldt als aanvang van de termijn, doet Transavia een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Transavia had reeds vouchers verstrekt. Om over te gaan tot contante betaling merkt Transavia op dat zij eerst moet controleren welk bedrag dient te worden gerestitueerd en welke partij verzoekt om restitutie. De passagier kan immers zelf een verzoek indienen, maar dit kan ook zijn gedaan door een reisagent of een ingeschakeld claimbureau. Om te voorkomen dat onverschuldigde, dubbele of bovenmatige betaling wordt verricht, dient de luchtvaartmaatschappij een en ander te controleren.

De kantonrechter is van oordeel dat Transavia een geslaagd beroep kan doen op de redelijkheid en billijkheid. De Verordening heeft niet voorzien in een situatie dat alle luchtvaartmaatschappijen alle vluchten gedurende een periode moeten annuleren. De betalingstermijn van zeven dagen wordt onder deze omstandigheden niet redelijk geacht. Transavia heeft meermaals aangegeven tot restitutie van de vliegtickets over te gaan maar kon de betalingen door de overvloed aan vorderingen niet binnen de gestelde termijn verrichten. De termijn van twee maanden wordt in dit geval redelijk geacht. De kantonrechter wijst de vorderingen van passagiers af en veroordeelt deze in de proceskosten en meent dat Transavia onnodig op kosten is gejaagd.

Gezien de situatie waarmee de luchtvaartsector is geconfronteerd als gevolg van de COVID-19 pandemie is de uitspraak van de kantonrechter zeer welkom voor de industrie. Onder de huidige omstandigheden is het nauwelijks haalbaar om terugbetalingen binnen korte termijn te verrichten. Voor luchtvaartmaatschappijen is het in ieder geval goed om te weten dat er enige speelruimte is.