De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Uitspraak Hof van Justitie over omboeking van een aansluitende vlucht

Uitspraak Hof van Justitie over omboeking van een aansluitende vlucht

Op 30 april jl. heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) een prejudiciële beslissing genomen die ziet op de uitleg van de artikelen 4 lid 3, artikel 5 lid 1 onder c en artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: Verordening).
Auteur artikelJoanne Houwers
Gepubliceerd04 mei 2020
Laatst gewijzigd06 mei 2020
Leestijd 

Kort gezegd heeft het Hof geoordeeld dat artikel 7 van de Verordening zo moet worden uitgelegd dat geen compensatie is verschuldigd aan een passagier die over één enkele boeking voor rechtstreeks aansluitende vluchten beschikt tegen zijn wil is omgeboekt, waardoor hij de eerste vlucht waaruit zijn geboekte vervoer bestond, niet heeft genomen (hoewel deze wel is uitgevoerd) maar een plaats heeft gekregen op een latere vlucht, waardoor hij de tweede vlucht waaruit zijn geboekte reis bestond, alsnog heeft kunnen nemen en zo zijn eindbestemming op de geplande aankomsttijd heeft bereikt.

Relevante artikelen Verordening

Artikel 4 lid 3 Verordening

“Indien passagiers tegen hun wil de toegang tot een vlucht wordt geweigerd, compenseert de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert hen onmiddellijk overeenkomstig artikel 7, en biedt zij hun bijstand overeenkomstig de artikelen 8 en 9.”

Artikel 5 lid 1 onder c Verordening

“In geval van annulering van een vlucht hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij
i. de annulering hun tenminste twee weken voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld, of
ii. de annulering hun tussen twee weken en zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan twee uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan vier uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt, of
iii. de annulering hun minder dan zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan één uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan twee uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt.”

Artikel 7 Verordening

“Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van
a) 250 EUR voor alle vluchten tot en met 1 500 km
b) 400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1 500 km, en voor alle andere vluchten tussen 1 500 en 3 500 km
c) 600 EUR voor alle niet onder a) of b) vallende vluchten.

Bij de bepaling van de afstand wordt gekeken naar de laatste bestemming waar de passagier als gevolg van de instapweigering of annulering na de geplande tijd zal aankomen. […]” 

Feiten en omstandigheden

Het verzoek is ingediend in het kader van een procedure tussen verzoekster Ol (hierna: passagier) en Air Nostrum Lineas Aéreas del Mediterráno SA (hierna: Air Ostrum). Passagier heeft een vordering tot vergoeding van financiële compensatie ingediend wegens tegen haar wil uitgevoerde wijzigingen met gevolgen voor haar boeking.

Passagier heeft rechtstreeks aansluitende vluchten geboekt om via Madrid van Jerez de la Frontera (Spanje) naar Frankfurt am Main (Duitsland) te reizen. Deze vluchten zijn in het kader één enkele boeking gekocht aangekocht en bestaan uit de volgende vluchten:

  1. vlucht van Jerez de la Frontera naar Madrid met een gepland vertrek op 3 oktober 2015 om 13:35 uur en een geplande landing om 14:45 uur;
  2. vlucht van Madrid naar Frankfurt am Main met een gepland vertrek op 3 oktober 2015 om 20.00 uur en een geplande landing om 22.40 uur.

Passagier wordt door de luchtvaartmaatschappij tegen haar wil omgeboekt, zodat zij – in plaats van op de eerste vlucht – een plaats toegewezen krijgt op een vlucht. Deze vlucht is op 3 oktober 2015 omstreeks 17.55 uur opgestegen in Jerez de la Frontera en diezelfde dag rond 19.05 uur in Madrid geland. Passagier heeft vervolgens de reeds boekte aansluitende vlucht genomen en is om 20.00 uur op de oorspronkelijk geplande aansluitende vlucht uit Madrid vertrokken.

Rechtbank Frankfurt am Main

Passagier stelt bij de rechtbank in Frankfurt een vordering in om Air Ostrum te laten veroordelen tot betaling van financiële compensatie, aangezien de luchtvaartmaatschappij de (eerste) vlucht eenzijdig heeft omgeboekt. De rechtbank wijst de vordering van de passagier af, aangezien zij haar eindbestemming Frankfurt am Main heeft bereikt binnen de voorgeschreven tijd zoals genoemd in artikel 5 lid 1 onder c, iii van de Verordening.

Gerechtshof Frankfurt am Main

Vervolgens stelt de passagier hoger beroep in bij het gerechtshof in Frankrijk. Zij stelt zich op het standpunt dat zij op grond van de Verordening recht heeft op financiële compensatie wegens instapweigering en dat de beperkingen van dit recht, zoals die voor het geval van annulering van een vlucht zijn vastgesteld in artikel 5 lid 1 onder c, iii van de Verordening niet van toepassing zijn.

Eerste prejudiciële vraag

De situatie waarbij een passagier tegen zijn wil wordt omgeboekt naar een latere vlucht, valt volgens de rechter onder artikel 4 lid 3 van de Verordening wanneer de oorspronkelijke vlucht wel gewoon wordt uitgevoerd. Een andere uitlegging van deze bepaling zou de luchtvaartmaatschappijen er volgens de rechter toe kunnen brengen de rechtsgevolgen van de Verordening te omzeilen. Dit leidt tot de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie:

Is er sprake van instapweigering in de zin van artikel 4 lid 3 van Verordening nr. 261/2004 wanneer een passagier die zich op de luchthaven bij de incheckbalie meldt met een bevestigde boeking voor een welbepaalde vlucht, tegen zijn wil naar een latere vlucht wordt omgeboekt, indien de vlucht waarvoor de passagier over een bevestigde boeking beschikt, nadien alsnog wordt uitgevoerd?

Tweede prejudiciële vraag

Verder vraag de rechter zich af of artikel 5 lid 1 onder c, iii van de Verordening van overeenkomstige toepassing kan zijn op gevallen van instapweigering in de zin van artikel 4 lid 3 van de Verordening. De tweede prejudiciële vraag luidt daarom als volgt:

Zo ja, is artikel 5 lid 1 onder c), iii) van Verordening dan van overeenkomstige toepassing op gevallen van instapweigering in de zin van artikel 4 lid 3 van die Verordening?

Hof van Justitie

Het Hof oordeelt als volgt.

Uit de verwijzingsbeslissing van het gerechtshof blijkt niet dat de passagier zich daadwerkelijk binnen de bij artikel 3 lid 2 van de Verordening voorgeschreven tijd bij de incheckbalie heeft aangemeld. Het Hof van Justitie kan dan ook geen uitspraak doen over de vraag of een situatie als die welke tot de onderhavige zaak heeft geleid, onder artikel 4 lid 3 Verordening kan vallen. Daarentegen staat vast dat het luchtvervoer van de passagier wel degelijk heeft plaatsgevonden op basis van rechtstreeks aansluitende vluchten, waarbij zij, ondanks de gewijzigde eerste vlucht waaruit dat vervoer bestond, haar eindbestemming heeft bereikt met de door haar geboekte tweede vlucht van dat vervoer. Kortom: de tweede door de passagier geboekte vlucht heeft gewoon doorgang gevonden als gevolg waarvan de passagier tijdig op haar eindbestemming is aangekomen.

Het Hof herformuleert de eerste prejudiciële vraag van het gerechtshof. Volgens het Hof wenst de rechter te vernemen of:

Verordening, en met name artikel 7, moet worden uitgelegd dat een financiële compensatie is verschuldigd aan een passagier die over één enkele boeking voor rechtstreeks aansluitende vluchten beschikt, wanneer hij tegen zijn wil is omgeboekt, met als gevolg dat hij de eerste vlucht waaruit zijn geboekt vervoer bestond, niet heeft genomen – ofschoon die wél is uitgevoerd – maar een plaats heeft gekregen op een latere vlucht, waardoor hij de tweede vlucht waaruit zijn geboekte reis bestond, alsnog heeft kunnen nemen en zo zijn eindbestemming op de geplande aankomsttijd heeft bereikt.

Een of meer rechtstreeks aansluitende vluchten die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht, vormen een geheel voor het recht op financiële compensatie op grond van de Verordening. Het Hof van Justitie verbindt rechtsgevolgen aan de situatie van de betrokken passagier aan het einde van haar luchtvervoer, te weten bij aankomst op haar eindbestemming als bepaald in artikel 2 onder h van de Verordening.

Artikel 2 onder h van de Verordening definieert ‘eindbestemming’ als volgt:

de bestemming die vermeld staat op het bij de incheckbalie aangeboden ticket of, in geval van rechtstreeks aansluitende vluchten, de bestemming van de laatste vlucht; indien de geplande aankomsttijd is gerespecteerd, wordt er geen rekening gehouden met haalbare alternatieve aansluitende vluchten.

Het Hof heeft in het Folkerts-arrest voor recht verklaard dat artikel 7 van de Verordening zo moet worden uitgelegd dat in geval van rechtstreekse vluchten financiële compensatie aan de passagier is verschuldigd die zijn eindbestemming heeft bereikt met een vertraging van drie uur of meer ten opzichte van de geplande aankomsttijd.

In casu staat vast dat de passagier na afloop van haar luchtvervoer haar eindbestemming Madrid zonder vertraging ten opzichte van de geplande aankomsttijd heeft bereikt. Hierdoor komt zij volgens het Hof niet in aanmerking voor financiële compensatie op grond van artikel 7 Verordening.

Verder oordeelt het Hof dat de Verordening beoogt de ernstige moeilijkheden en ongemakken te verhelpen die luchtvaartpassagiers ondervinden. Het is volgens het Hof juist dat de omboeking van een vlucht waaruit het vervoer bestaat ongemak met zich meebrengt voor de betrokken passagier, maar een dergelijk ongemak kan niet als ernstig in de zin van Verordening worden aangemerkt wanneer die passagier zijn eindbestemming op de geplande aankomsttijd bereikt. Het zou in strijd zijn met het doel van de Verordening om de passagier compensatie te betalen op grond van artikel 7 van de Verordening.

Conclusie

Artikel 7 van de Verordening moet zo worden uitgelegd dat geen compensatie is verschuldigd aan een passagier die over één enkele boeking voor rechtstreeks aansluitende vluchten beschikt, wanneer hij tegen zijn wil is omgeboekt, als gevolg dat hij de eerste vlucht waaruit zijn geboekte vervoer bestond, niet heeft genomen – ofschoon die wél is uitgevoerd – maar een plaats heeft gekregen op een latere vlucht, waardoor hij de tweede vlucht waaruit zijn geboekte reis bestond, alsnog heeft kunnen nemen en zo zijn eindbestemming op de geplande aankomsttijd heeft bereikt.

Gelet op het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, gaat het Hof niet over tot beantwoording van de tweede prejudiciële vraag.

Voor vragen over dit artikel of de Verordening 261/2004 kunt u contact opnemen met Joanne Houwers.

T: +31 (0)24 38 13 138
E: houwers@dirkzwager.nl