Zoeken
  1. Volgens Hof had bestuurder onrechtmatig gehandeld bij verkoop aandelen

Volgens Hof had bestuurder onrechtmatig gehandeld bij verkoop aandelen

Verkoop van aandelen tegen nominale waarde, verricht zonder dat een medegerechtigde zijn instemming is gevraagd. Aan verkopende bestuurder kan daarvan een ernstig verwijt worden gemaakt. Daarvoor is, anders dan de eerste rechter oordeelde, de bestuurder aansprakelijk.De feitenEen B.V. heeft in 2008 aandelen in een andere vennootschap verkocht en overgedragen tegen de nominale waarde van € 3.600,-. Volgens de leveringsakte was hierbij mogelijk sprake van een tegenstrijdig belang bij de bestuur...
Auteur artikelBart Lotgerink
Gepubliceerd15 januari 2016
Laatst gewijzigd15 januari 2016
Leestijd 
Verkoop van aandelen tegen nominale waarde, verricht zonder dat een medegerechtigde zijn instemming is gevraagd. Aan verkopende bestuurder kan daarvan een ernstig verwijt worden gemaakt. Daarvoor is, anders dan de eerste rechter oordeelde, de bestuurder aansprakelijk.

De feiten
Een B.V. heeft in 2008 aandelen in een andere vennootschap verkocht en overgedragen tegen de nominale waarde van € 3.600,-. Volgens de leveringsakte was hierbij mogelijk sprake van een tegenstrijdig belang bij de bestuurder van de B.V. omdat hij ook bestuurder is van de koper van de aandelen, maar blijkens de notulen die aan de leveringsakte zijn gehecht heeft de algemene vergadering van aandeelhouders besloten geen gebruik te maken van het recht in de statuten om een andere vertegenwoordiger van de B.V. aan te wijzen. De bestuurder van de B.V. was evenwel ook bestuurder van de holding die alle aandelen in de B.V. hield.

Thans is de bestuurder aansprakelijk gesteld door een aandeelhouder van de holding omdat in de statuten van de holding is bepaald dat voor een bestuursbesluit tot uitoefening van het stemrecht op de aandelen in een dochtervennootschap (de B.V.) de goedkeuring is vereist van de vergadering van aandeelhouders van de holding welke goedkeuring niet is gevraagd door de bestuurder. Hierdoor is er schade geleden omdat de onderhavige aandelen zijn verkocht tegen de nominale waarde van € 3.600,- terwijl deze aandelen aanzienlijk meer waard waren.

Hof
In het hoger beroep wordt onder andere de conclusie van de Rechtbank bestreden dat de bestuurder geen ernstig verwijt kan worden gemaakt dat hij ter gelegenheid van de verkoop van de aandelen artikel 20 lid 5 van de statuten van de holding niet in acht heeft genomen, waarin bepaald is dat voor een bestuursbesluit tot het uitoefenen van stemrecht op aandelen in een dochtermaatschappij de goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering is vereist.

In tegenstelling tot de Rechtbank heeft het Hof in hoger beroep geoordeeld dat de bestuurder wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens de aandeelhouder van de holding en dat de schade moet worden vergoed die deze aandeelhouder heeft geleden doordat de bestuurder voor het besluit van de holding om bij de verkoop van de onderhavige aandelen door de B.V. geen vertegenwoordiger voor de B.V. aan te wijzen niet de goedkeuring van de aandeelhouders van de holding heeft gevraagd die volgens de statuten van de holding was vereist. Het Hof overweegt hierbij onder meer dat de bestuurder van de B.V. bij de verkoop van de aandelen een tegenstrijdig belang had. De tegenstrijdigbelangregeling in de statuten van de B.V. strekt tot bescherming van het belang van de B.V. onder meer in het geval dat de bestuurder door zijn betrokkenheid bij een ander met dat van de B.V. niet parallel lopend belang niet in staat moet worden geacht het belang van de vennootschap te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht. In dit geval was de (indirect) bestuurder van de B.V. ook (indirect) enig bestuurder van de koper van de aandelen. Bovendien was een onevenwichtigheid daarin gelegen dat de voordelen van het houden van de onderhavige aandelen vóór de verkoop door de B.V. gedeeld dienden te worden tussen de (uiteindelijk) aandeelhouders van de holding, terwijl die voordelen ná de transactie geheel kwamen te liggen bij de koper waarin de bestuurder als enig bestuurder de zeggenschap had waardoor in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de B.V. en hij zich dan ook in beginsel van de verkoop had moeten onthouden. Dat betekent dat de tegenstrijdigbelangregeling in de statuten van de B.V. van toepassing was en dat de bestuurder aan deze bepaling toepassing moest geven. De bestuurder heeft nagelaten wat hij had moeten doen, namelijk het bijtijds in kennis stellen van de aandeelhouder van de holding van de verkoop van de aandelen en zijn instemming daarmee vragen. Immers, de verkoop betrof een 20%-belang in een vennootschap met een eigen vermogen van € 1,5 miljoen voor slechts € 3.600,- hetgeen op zichzelf beschouwd wijst op een ongerijmde transactie die bijtijds overleg met de aandeelhouder van de holding vereiste.