De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Voorrang bij uitwinning pandrecht

Rangwijziging bij (uitwinning) pandrecht

De onderlinge rang van pandrechten wordt bij uitwinning van een pandrecht wettelijk bepaald door het moment van vestiging van de pandrechten: het oudste pandrecht gaat voor op later gevestigde pandrechten. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 april 2020 bevestigd dat het mogelijk is om bij of na vestiging van een pandrecht de aan dat pandrecht verbonden rang te wijzigen.
Leestijd 
Auteur artikel Bart Jacobs
Gepubliceerd 21 april 2021
Laatst gewijzigd 21 april 2021
 

In de zaak die tot de uitspraak van de Hoge Raad van 9 april 2021 heeft geleid, staat de volgende casus centraal:

Het Recycling concern (Holding B.V. - Beheer B.V. - Werkmaatschappij) heeft bankfinanciering aangetrokken ter financiering van de werkzaamheden van de Werkmaatschappij. De bank heeft als zekerheid een stil pandrecht bedongen op - onder meer - alle vorderingen van de Werkmaatschappij op derden. Ook Holding B.V. en Beheer B.V. hebben financiering verstrekt aan de Werkmaatschappij. Hiervoor hebben Holding B.V. en Beheer B.V. eveneens zekerheid bedongen in de vorm van een stil pandrecht op - onder meer - de vorderingen die Werkmaatschappij op derden heeft.

Het pandrecht van de bank is eerder gevestigd dan de pandrechten van Holding B.V. en Beheer B.V., die hun pandrechten gelijktijdig hebben gevestigd. In de akte van verpanding erkennen Holding B.V. en Beheer B.V. het eerste pandrecht van de bank. Daarnaast komen zij overeen dat het pandrecht van Holding in rang boven het pandrecht van Beheer B.V. komt. Dit in afwijking van de wettelijke regeling, op grond waarvan de pandrechten in beginsel gelijk in rang zouden zijn.

Werkmaatschappij en Beheer B.V. raken in financiële problemen waardoor zij beiden uiteindelijk failleren. Kort voor faillissement maakt de bank haar (tot dan) stil pandrecht openbaar en int vervolgens de vorderingen van Werkmaatschappij op derden. Enige tijd later maakt ook Holding B.V. haar pandrecht openbaar. De bank ontvangt de betalingen op een speciaal daarvoor geopende rekening en constateert dat er na voldoening van haar eigen vordering een overschot resteert dat aan de lager gerangschikte pandhouders dient te worden uitgekeerd.

Conform de afspraken tussen Holding B.V. en Beheer B.V. zou het overschot in eerste instantie aan Holding B.V. toekomen. De curator van Beheer B.V. is het hiermee echter niet eens en stelt zich op het standpunt dat, nu de pandrechten van Holding B.V. en Beheer B.V. gelijktijdig zijn gevestigd, deze pandrechten op grond van de wet gelijk in rang zijn. Volgens de curator is er namelijk - anders dan bij hypotheek - geen wettelijke bepaling die het mogelijk maakt een rangwijziging van pandrechten overeen te komen. Daar van uitgaande zou er een deel van het door de bank ontvangen overschot verdeeld moeten worden tussen de andere twee pandhouders en daarmee deels toekomen aan Beheer B.V. / de failliete boedel.

In lijn met het oordeel van de rechtbank en het hof, stelt de Hoge Raad dat het recht van pand en het recht van hypotheek vergelijkbare zekerheidsrechten zijn, dat er in de praktijk behoefte is aan het kunnen wijzigen van de rangorde van pandrechten en dat om die redenen moet worden aangenomen dat rangwijziging - hoewel niet geregeld in enige wettelijke bepaling - ook ten aanzien van pandrechten mogelijk is. Volgens de Hoge Raad is er voor een dergelijke rangwijziging toestemming nodig van degenen wiens rang wordt beïnvloed. Deze toestemming moet aan dezelfde (formele) vereisten voldoen als de verpanding zelf. Pandhouders die niet direct betrokken zijn bij deze rangwisseling, maar wiens rechtspositie wel geraakt zou worden door de rangwijziging, zijn niet gebonden aan deze rangwisseling indien zij hiermee niet hebben ingestemd. Een dergelijke instemming is vormvrij.

Bovenstaand oordeel van de Hoge Raad leidt er er in de hiervoor geschetste casus toe dat Holding B.V. zich als pandhouder met hogere rang mag verhalen op het door de bank gehouden overschot aan geïnde vorderingen. In deze kwestie was het overschot niet voldoende om de vordering van Holding B.V. geheel te voldoen. Om die reden kan er dus niets aan de failliete boedel / Beheer B.V. worden uitgekeerd en blijft de curator met lege handen achter.