Aanpassing waterhuishouding voor natuurherstel
Het Inrichtingsplan Geelbroek heeft betrekking op een natuurgebied van 404 hectare dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland en voor een deel in het Natura 2000-gebied Drentsche Aa ligt. Het doel van het inrichtingsplan is onder meer het vergroten van de oppervlakte en kwaliteit van vochtige alluviale bossen en het bovenstrooms vasthouden van water om benedenstrooms wateroverlast te voorkomen. De belangrijkste voorwaarde daarvoor is herstel van de natuurlijke waterhuishouding met hogere (grond)waterstanden.
Om dit plan uit te voeren heeft het dagelijks bestuur van Waterschap Hunze en Aa's aan Prolander twee vergunningen verleend, waaronder een voor het aanpassen van de waterhuishouding. Perceeleigenaren die agrarische activiteiten uitvoeren en wonen in Ekehaar, Eleveld en Hoogharen komen hiertegen op, omdat zij stellen schade te ondervinden als gevolg van de verleende vergunningen.
Hoe breed is de belangenafweging bij de watervergunning?
De rechtbank had overwogen dat bij de beslissing op een aanvraag om een watervergunning uitsluitend rekening mag worden gehouden met de aan de waterstaatkundige doelstellingen gelieerde belangen. Appellanten zijn het hier niet mee eens. Volgens hen is deze beperking niet terug te vinden in de Waterwet en moet het dagelijks bestuur op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alle betrokken belangen meewegen, niet alleen de waterstaatkundige belangen.
Ruimte voor andere belangen, mits verenigbaar met de Waterwet
De Afdeling geeft appellanten hierin gelijk. De in artikel 6.21 van de Waterwet opgenomen verplichte weigering van een watervergunning bij onverenigbaarheid met de doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet of met de belangen van artikel 6.11 van die wet, betekent niet dat een watervergunning alleen mag worden verleend ten behoeve van die waterstaatkundige doelstellingen en belangen. Ook betekent dit niet dat alleen met waterstaatkundige doelstellingen en belangen rekening gehouden mag worden bij de besluitvorming. De Afdeling overweegt:
“Artikel 6.21 van de Waterwet staat er verder niet aan in de weg dat een watervergunning kan worden aangevraagd en verleend ten behoeve van een doel of belang van een aanvrager dat op zichzelf niet van waterstaatkundige aard is, zoals de ontsluiting van een perceel, mits daarbij steeds voldaan wordt aan de voorwaarde dat die vergunningverlening verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet. Dergelijke andere belangen die een aanvrager beoogt te dienen, kunnen dit vereiste van verenigbaarheid met de doelstellingen van artikel 2.1 en belangen van artikel 6.11 nooit opzij zetten.”
De Afdeling wijst er daarbij op dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 6.20 van de Waterwet voorschriften kan verbinden aan een vergunning en dat het opleggen van specifieke voorschriften er onder omstandigheden zelfs toe kan leiden dat een vergunning die anders onverenigbaar zou zijn met de wettelijke doelstellingen, alsnog kan worden verleend.
Toch geen vernietiging
Hoewel de Afdeling het toetsingskader van de rechtbank te beperkt acht, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De inhoudelijke betogen van appellanten over onzorgvuldige voorbereiding, een ontbrekende belangenafweging en onevenredige schade zijn namelijk in essentie een herhaling van wat zij bij de rechtbank hebben aangevoerd. De rechtbank heeft al deze gronden gemotiveerd beoordeeld en appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom deze beoordeling onjuist of onvolledig zou zijn.
Wat betekent dit voor de praktijk en onder de Omgevingswet?
Deze uitspraak verduidelijkt een belangrijk punt voor de praktijk van de watervergunning onder de (oude) Waterwet: het toetsingskader van artikel 6.21 is een weigeringsgrond, geen uitputtende opsomming van de belangen die het bevoegd gezag mag laten meewegen bij vergunningverlening. Een watervergunning kan ook worden aangevraagd en verleend ten behoeve van een doel of belang van de aanvrager dat op zichzelf niet van waterstaatkundige aard is, zoals de ontsluiting van een perceel of, zoals in een uitspraak van 9 september 2026 aan de orde was, het overbruggen van een rivier voor gemotoriseerd verkeer. Niet-waterstaatkundige belangen moeten ook worden gewogen bij de beoordeling van de aanvraag. Een belangrijke voorwaarde is wel dat vergunningverlening verenigbaar blijkt met de waterstaatkundige doelstellingen en belangen uit de Waterwet.
Voor waterschappen maakt deze uitspraak duidelijk dat zij bij de vergunningverlening ruimte hebben om, via de band van artikel 6.20 van de Waterwet, voorschriften te verbinden aan een watervergunning die eventuele spanning tussen een niet-waterstaatkundig belang en de wettelijke doelstellingen en belangen wegnemen.
Deze uitspraak blijft daarnaast relevant onder de Omgevingswet, omdat vergelijkbare vragen over de reikwijdte van de belangenafweging zich kunnen voordoen bij de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit bestaande uit een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk als bedoeld in de hoofdstukken 6 en 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat sprake is van een voortzetting van de beoordelingsregels uit artikel 6.21 van de Waterwet. Interessant is wel dat de wetgever voor het toetsingskader in artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft gekozen voor een positieve formulering: op grond van het eerste lid wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de belangen die voorheen in artikel 2.1 van de Waterwet stonden, terwijl artikel 6.21 van de Waterwet uitging van de verplichte weigering van de vergunning bij onverenigbaarheid. Deze formulering sluit beter aan bij het toetsingskader zoals dat volgens de Afdeling luidt.
Heeft u vragen over een watervergunning of omgevingsvergunning voor een wateractiviteit? Neem gerust contact op.