Zzp'er in de zorg wél mogelijk, ondanks hetzelfde werk als werknemers

29 september 2026

Sinds het handhavingsmoratorium in 2025 is opgeheven, heeft u ongetwijfeld veel berichten voorbij zien komen over de opstelling van de Belastingdienst ten aanzien van zzp'ers in de zorg. Volgens de Belastingdienst is in de zorg al snel sprake van schijnzelfstandigheid, onder meer vanwege de inbedding van de werkzaamheden bij een zorginstelling. Een recente uitspraak (ECLI:NL:RBLIM:2026:9159) van de rechtbank Limburg laat zien dat dit standpunt te kort door de bocht is. Een solistisch werkende zorgverlener, die werkte op basis van een overeenkomst van opdracht, stelde dat hij werknemer was. Hij kreeg echter geen gelijk van de kantonrechter. Voor opdrachtgevers en zzp'ers in de zorg is deze uitspraak een goed voorbeeld van hoe een overeenkomst van opdracht wél overeind kan blijven, uiteraard mits de praktijk aansluit bij de juridische vormgeving.

Jochem van den Berg
Jochem van den Berg
Fiscalist - Associate Partner
In dit artikel

Wat speelde er in deze zaak?

De zaak betrof een 22-jarige zorgverlener die zich op 13 mei 2024 als zelfstandige had ingeschreven bij de KvK met als activiteit het verzorgen en ondersteunen van ouderen. In juni 2025 sloot hij een bemiddelingsovereenkomst met ZorgpuntConnect, dat hem in contact bracht met opdrachtgevers. Op 13 augustus 2025 tekende hij vervolgens rechtstreeks een overeenkomst van opdracht met Stichting Pergamijn, een instelling voor gehandicaptenzorg, voor de duur van 1 juli tot 31 december 2025, tegen een tarief van € 45 per uur.

Hij verrichtte daar vakkundige handelingen, verpleging, persoonlijke verzorging en signalerende, begeleidende en voorlichtende taken bij cliënten van Pergamijn.

Op 4 december 2025 zegde Pergamijn de overeenkomst schriftelijk op. De zorgverlener beriep zich twee weken later op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Hij vorderde bij de rechtbank onder meer een verklaring voor recht dat hij in dienst was geweest, vernietiging van de opzegging en betaling van achterstallig loon en wettelijke verhoging. Dit alles tevergeefs, want de kantonrechter wees alle verzoeken af.

Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht: hoe toetst de rechter?



De kantonrechter stelt voorop dat bij de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht twee fasen moeten worden doorlopen. In de eerste fase, de uitlegfase, wordt aan de hand van de zogenoemde Haviltexmaatstaf vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij is niet alleen de tekst van de overeenkomst relevant, maar ook wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In de tweede fase, de kwalificatiefase, wordt beoordeeld of die afspraken de kenmerken hebben van een arbeidsovereenkomst of van een overeenkomst van opdracht, ongeacht de bedoeling van partijen.

Voor de kwalificatiefase hanteert de kantonrechter de negen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad (zie hierover ons eerdere artikel). Tussen partijen stond vast dat zij in de praktijk ook daadwerkelijk in overeenstemming met de overeenkomst werkten.


Bij de beoordeling aan de hand van de negen gezichtspunten wees vrijwel elke omstandigheid op zelfstandig ondernemerschap:

  • aard en duur van de werkzaamheden: de zorgverlener werkte niet volgens een vast rooster en zijn uren wisselden per week. Hij gaf zelf aan voor welke door de planning gedeelde diensten hij beschikbaar was. Dit past eerder bij een overeenkomst van opdracht dan bij een arbeidsovereenkomst;
  • wijze waarop werkzaamheden en werktijden werden bepaald: de zorgverlener werkte zelfstandig en naar eigen inzicht, zonder toezicht of leiding van Pergamijn. Pergamijn verplichtte hem nooit diensten te draaien. Deze autonomie wijst op het ontbreken van een gezagsverhouding;
  • inbedding van het werk en de werkende: de zorgverlener nam niet deel aan werkoverleggen of personeelsbijeenkomsten en voerde geen functioneringsgesprekken. Hoewel hij feitelijk hetzelfde werk deed als werknemers van Pergamijn, is dit inherent aan de aard van de taken en wijst het op zichzelf niet op werknemerschap;
  • verplichting tot persoonlijke uitvoering: de zorgverlener hoefde het werk niet persoonlijk te verrichten en moest bij verhindering zelf voor een geschikte vervanger zorgen. Dit past niet bij een arbeidsovereenkomst;
  • wijze waarop de regeling tot stand kwam: hierover is niets bekend. Dit is echter niet doorslaggevend, omdat ook over de inhoud van een arbeidsovereenkomst kan worden onderhandeld;
  • wijze van vaststelling en betaling van de beloning: de zorgverlener factureerde zijn uren rechtstreeks aan Pergamijn en was zelf verantwoordelijk voor btw-afdracht, pensioenopbouw en verzekeringen. Dit wijkt af van loonbetaling binnen een arbeidsrelatie en past bij een overeenkomst van opdracht;
  • hoogte van de beloning: het overeengekomen uurtarief van € 45,00 lag ruim boven het bruto cao-uurloon van € 19,18 (cao Gehandicaptenzorg). Volgens de kantonrechter wijst dit op een overeenkomst van opdracht;
  • commercieel risico: de zorgverlener droeg zelf het financiële risico. Hij werd alleen betaald voor gewerkte uren, ontving geen kostenvergoeding, had een eigen bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering en was aangesloten bij brancheorganisatie SoloPartners. Dit past niet bij werknemerschap;
  • extern ondernemerschap: de zorgverlener mocht voor andere opdrachtgevers werken en deed dat tijdens de vijf maanden waarin hij voor Pergamijn werkte ook daadwerkelijk voor ten minste twee andere opdrachtgevers.

Is de inbedding in de zorg doorslaggevend?



Het meest in het oog springende punt voor de praktijk is de wijze waarop de kantonrechter omgaat met het gezichtspunt "inbedding". De Belastingdienst hanteert bij de beoordeling van arbeidsrelaties in de zorg doorgaans het uitgangspunt dat een zzp’er die, binnen de muren van een instelling, hetzelfde werk verricht als werknemers, al snel is ingebed en dus als werknemer wordt aangemerkt. De zorgverlener stelde in deze zaak dat hij op de werkvloer niet herkenbaar was als zzp'er, onder meer omdat hij dezelfde werkzaamheden verrichtte als het vaste personeel. Vast stond wel dat hij niet deelnam aan de werkoverleggen of personeelsbijeenkomsten en dat er geen functioneringsgesprekken met hem werden gevoerd.

Over het feit dat hij wel degelijk dezelfde werkzaamheden uitvoerde als de werknemers van Pergamijn, overweegt de kantonrechter met zoveel woorden dat dit inherent zal zijn aan de uit te voeren taken die horen bij het verplegen, verzorgen en begeleiden van de cliënten en dat dit daarom nog niet duidt op werknemerschap. Met andere woorden: dat een zzp'er in de zorg feitelijk hetzelfde werk doet als het vaste personeel, is volgens de kantonrechter een gevolg van de aard van zorgwerk zelf en is niet per definitie een aanwijzing voor inbedding in de organisatie.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Voor opdrachtgevers in de zorg en voor zelfstandig werkende zorgverleners biedt deze uitspraak concrete aanknopingspunten om een samenwerking zo vorm te geven dat die de toets bij de rechter kan doorstaan. Deze uitspraak laat zien dat de inzet van zzp’ers in de zorg wel degelijk mogelijk is, ook wanneer de zorgverlener hetzelfde werk verricht als het eigen personeel van de opdrachtgever. Immers, de inbedding betreft slechts één van de (niet-) limitatieve gezichtspunten.

Heeft u behoefte aan advies over uw huidige samenwerkingsvormen met zzp'ers in de zorg of wilt u een overeenkomst van opdracht laten opstellen? Wij denken graag met u mee over een goede vormgeving van de samenwerking met zelfstandige zorgverleners, inclusief de bijbehorende overeenkomst van opdracht. Neem gerust contact met ons op.

Gerelateerd

Events

Aankomende online en live events

We delen diepgaande kennis en pragmatische inzichten over actuele onderwerpen in het vakgebied en de maatschappelijke thema's waar we dichtbij staan.