Zoeken
  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Aanvullingswet grondeigendom aangenomen: gevolgen voor onteigening

Aanvullingswet grondeigendom aangenomen: gevolgen voor onteigening

Op 17 oktober 2019 heeft de Tweede Kamer de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet aangenomen. Deze wet vult de Omgevingswet aan met regelingen over onder meer voorkeursrechten, onteigening en kostenverhaal bij gebiedsontwikkeling. In dit artikel bespreken wij de gevolgen van de Aanvullingswet grondeigendom voor de onteigeningsprocedure.
Auteur artikelHanna Zeilmaker
Gepubliceerd01 november 2019
Laatst gewijzigd05 november 2019
Leestijd 

Onteigeningswet
De onteigeningsprocedure bestaat uit grofweg twee delen – de administratieve procedure en de gerechtelijke procedure.

In de administratieve procedure neemt het bestuursorgaan van een publiekrechtelijke rechtspersoon een verzoekbesluit tot onteigening. De onteigening wordt daarbij gebaseerd op een titel in de Onteigeningswet: titel II (aanleg, herstel en onderhoud van waterkeringen en militaire verdedigingswerken) en titel IV Onteigeningswet (ruimtelijke ontwikkeling) zijn de meest voorkomende titels. Het verzoekbesluit wordt voorgedragen aan de Kroon. De Kroon neemt vervolgens – nadat belanghebbenden zienswijzen hebben kunnen indienen tegen het ontwerpbesluit – een onteigeningsbesluit.

De gerechtelijke procedure start op het moment dat de rechtbank de (vervroegde) onteigening uitspreekt. In de gerechtelijke procedure staat het bepalen van de omvang van de schadeloosstelling centraal. De rechtbank zal daarvoor een plaatsbepaling (descente) gelasten en deskundigen benoemen die over de schadeloosstelling adviseren. Aan de onteigende partij wordt een voorschot uitgekeerd. Uiteindelijk stelt de rechtbank de hoogte van de schadeloosstelling vast. Tegen het vonnis van de rechtbank staat alleen cassatie bij de Hoge Raad open.

Aanvullingswet grondeigendom
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en Aanvullingswet grondeigendom wordt een aanzienlijke stelselwijziging doorgevoerd, welke wij hieronder – op hoofdlijnen – zullen weergeven. Een opsomming van de verschillende wijzigingen kunt u hier vinden.

Allereerst vervallen de huidige onteigeningstitels. Onteigening kan daarbij – behalve door organen van (semi)publiekrechtelijke rechtspersonen – ook worden verzocht door andere rechtspersonen waaraan een beoogde ontwikkeling voor de fysieke leefomgeving is toebedeeld. Deze verruimde grondslag maakt het mogelijk dat private partijen, zoals projectontwikkelaars, als onteigenende partij (‘onteigenaar’) worden aangemerkt. De vraag kan worden gesteld of dit een wenselijke ontwikkeling is.

Daarnaast komt de rol van de Kroon te vervallen. Bestuursorganen worden bevoegd om de onteigening van onroerende zaken uit te spreken, waarbij de bestuursrechter deze onteigeningsbeschikking moet bekrachtigen. Deze ‘bekrachtigingsprocedure’ is nieuw ten opzichte van de huidige administratieve procedure, net als de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De schadeloosstellingsprocedure zal voortaan aanvangen door een verzoek van de onteigenaar. De civiele rechter stelt het voorschot vast en partijen procederen verder over de hoogte van de schadeloosstelling. Na advies van deskundigen stelt de rechtbank de schadeloosstelling bij beschikking vast, waartegen cassatie bij de Hoge Raad open staat. De eigendom van het onteigende gaat uiteindelijk over door inschrijving van een door de notaris te verlijden onteigeningsakte.

Wijzigen Aanvullingswet grondeigendom
Ten opzichte van het voorgedragen wetsvoorstel zijn er door de Tweede Kamer twee wijzigingen doorgevoerd.

Allereerst is de intensiteit van de toetsing door de bestuursrechter aangescherpt. Artikel 16.107 Omgevingswet bepaalde voorheen dat de rechtbank het verzoek tot bekrachtiging moet afwijzen indien de noodzaak tot onteigening ‘kennelijk’ ontbreekt. Door het verwijderen van dit ‘kennelijkheidsvereiste’ beoogt de indiener een meer indringende gerechtelijke toets van de onteigeningsbeschikking. De bestuursrechter zal dus de noodzaak van de onteigening in volle omvang moeten gaan toetsen. Dit betekent dat de onteigenaar nog nadrukkelijker dan voorheen zal moeten onderbouwen waarom er een noodzaak tot onteigening bestaat.

Een tweede en belangrijke wijziging ziet op de mogelijkheid van zelfrealisatie door de eigenaar of beperkt gerechtigde. De Kroon heeft in meerdere KB’s uiteengezet aan welke (strenge) voorwaarden een beroep op zelfrealisatie moet voldoen. Deze voorwaarden zijn overeenkomstig opgenomen in artikel 11.7, tweede lid Omgevingswet. Een van deze voorwaarden houdt in dat degene die zich beroept op zelfrealisatie, daarvoor concrete en op uitvoering gerichte voornemens heeft en die aan het bevoegd gezag kenbaar moet hebben gemaakt.

Bij amendement is bepaald dat de eigenaar of beperkt gerechtigde binnen drie jaar na het kenbaar maken van deze voornemens, een begin moet hebben gemaakt met de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Indien in de bekrachtigingsprocedure of in hoger beroep de bekrachtiging is afgewezen respectievelijk de onteigeningsbeschikking is vernietigd, dan vangt deze termijn aan vanaf het moment van de gerechtelijke uitspraak. Laat de eigenaar of beperkt gerechtigde na binnen deze termijn een begin te maken met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, dan kan alsnog de onteigening worden uitgesproken.

De indiener van het amendement beoogt hiermee een ‘sanctiemogelijkheid’ te creëren voor de eigenaar die niet tijdig start met de beoogde ontwikkeling. Door deze sanctiemogelijkheid zou een ‘gemeente alsnog (en versneld) tot onteigening moeten kunnen overgaan’. Of dit amendement in de praktijk zal leiden tot een versnelling van de onteigeningsprocedure betwijfelen wij. De beoogde tijdswinst door het overslaan van een (nieuw) minnelijk overleg zal naar verwachting teniet worden gedaan door de nieuwe bestuursrechtelijke rechtsgang die tegen de onteigeningsbeschikking open staat.

Inwerkingtreding
De Aanvullingswet grondeigendom zal gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treden. De voorlopige datum van inwerkingtreding is 1 januari 2021. Eind dit jaar maakt de minister bekend of deze datum gehandhaafd blijft. Wij zullen u uiteraard op de hoogte houden van de laatste ontwikkelingen.

Tot slot
Deze blog maakt onderdeel uit van een reeks kennispagina-artikelen over de Aanvullingswet grondeigendom. In deze reeks bespreken wij ook de toekomstige wetgeving met betrekking tot kostenverhaal en het vestigen van een voorkeursrecht .

Heeft u vragen? Neem dan contact op met Hanna Zeilmaker , Joske Hagelaars of Jeroen Niederer , advocaten bij de sectie Overheid en Vastgoed en specialisten onteigeningsrecht.