Zoeken
  1. Actieve openbaarmaking besluitenlijsten college: hoe zit het met persoonsgegevens?

Actieve openbaarmaking besluitenlijsten college: hoe zit het met persoonsgegevens?

Op 28 februari heeft de Afdeling uitspraak gedaan over de actieve openbaarmaking van besluitenlijsten van het college en daarop vermelde persoonsgegevens.Wat speelde er?Appellant heeft een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert (hierna kortweg: het college) heeft tijdens een vergadering beslist op het bezwaar over het door appellant ingediende Wob-verzoek. Op grond van artikel 60, derde l...
Artikel | 08 maart 2018 | Roos Molendijk
Op 28 februari heeft de Afdeling uitspraak gedaan over de actieve openbaarmaking van besluitenlijsten van het college en daarop vermelde persoonsgegevens.

Wat speelde er?

Appellant heeft een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert (hierna kortweg: het college) heeft tijdens een vergadering beslist op het bezwaar over het door appellant ingediende Wob-verzoek. Op grond van artikel 60, derde lid van de gemeentewet was het besluit op de openbare besluitenlijst van de gemeente geplaatst. In de besluitenlijst van die vergadering stonden de initialen, achternaam en het adres van appellant vermeld. De besluitenlijst werd op de website van de gemeente gepubliceerd.

Appellant is het hier niet mee eens en verzoekt om zijn persoonsgegevens van de besluitenlijst op de website van de gemeente te verwijderen. Dit verzoek kan worden aangemerkt als een verzoek om verwijdering van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Gelet op dit artikel dient het college in dit geval te beoordelen of de persoonsgegevens voor het doel van de verwerking (in dit geval: openbaarmaking op grond van artikel 60, derde lid, Gemeentewet) ter zake dienend zijn en of deze persoonsgegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het college komt niet aan het verzoek tegemoet en vindt dat de besluitenlijst, gelet op het bepaalde in artikel 60 van de Gemeentewet, terecht is gepubliceerd.

Oordeel rechtbank

De rechtbank oordeelt in eerste aanleg dat uit de Gemeentewet en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan volgt dat het uitgangspunt is dat besluitenlijsten integraal openbaar worden gemaakt, ook als die persoonsgegevens bevatten. Het college behoefde volgens de rechtbank in dit geval geen uitzondering op dit uitgangspunt te maken. Niet is gebleken dat de persoonsgegevens ten tijde van de publicatie onjuist waren, of dat zij voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn. Ook is openbaarmaking volgens de rechtbank niet in strijd met het openbaar belang.

Hoger beroep

In hoger beroep betoogt appellant dat het openbaar maken van zijn persoonsgegevens voor het doel of de doeleinden van de verwerking niet ter zake dienend is. Openbaar maken van persoonsgegevens is niet vereist om openbaarheid en transparantie te verschaffen over besluitvorming van het college. Verder betoogt appellant dat er risico’s zijn verbonden aan het openbaar maken van persoonsgegevens (zoals bijvoorbeeld identiteitsfraude, cross-searching, datamining en profiling). Dit maakt dat de persoonlijke levenssfeer een openbaar belang is dat dient te prevaleren boven openbaarmaking.

Oordeel Afdeling

De Afdeling zet allereerst het wettelijk kader van artikel 60 van de Gemeentewet uiteen en overweegt, met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, dat openbaarmaking van de besluitenlijst transparantie vergroot en dat anonimiseren daarom uitzondering op de regel is. De Afdeling vervolgt dat openbaarmaking van de besluitenlijst achterwege blijft voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang (vgl. artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet). Dit omvat onder omstandigheden ook de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (zie de eerdere Afdelingsuitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3364). Onder omstandigheden kan de verwerking van persoonsgegevens daarom in strijd zijn met artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet. De Afdeling overweegt dat zich strijd met het openbaar belang als bedoeld in artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet voordoet indien het belang bij eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang bij het publiceren van de lijst op internet. Bij deze afweging dienen in ieder geval te worden betrokken de aard van het besluit waarmee de betrokkene in verband wordt gebracht en de met het openbaar maken van persoonsgegevens op internet gepaard gaande risico’s.

Op de besluitenlijst die het college op internet heeft gepubliceerd zijn de initialen, achternaam, straat, huisnummer en woonplaats van appellant vermeld.   Appellant heeft niet toegelicht waarom zijn persoonlijke levenssfeer ernstig zou worden aangetast doordat zijn initialen, achternaam en woonplaats op internet zijn gepubliceerd en in verband worden gebracht met een door hem ingediend Wob-verzoek over loonstaten, dan wel salarisstroken. Voor zover het deze persoonsgegevens betreft, is de Afdeling dan ook van oordeel dat het belang bij openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van appellant bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

Echter, naar het oordeel van de Afdeling heeft het college niet (voldoende) kunnen aantonen waarom ook het adres moet worden gepubliceerd. Mede gelet op de risico’s van het op internet publiceren van persoonsgegevens, is de Afdeling van oordeel dat voor zover het de straat en het huisnummer van het adres van appellant betreft, het belang van het publiceren daarvan op de besluitenlijst op internet niet opweegt tegen het belang van [appellant] bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. In zoverre is de verwerking van persoonsgegevens dus in strijd met het openbaar belang en dient het college die te verwijderen.

Commentaar

Deze Afdelingsuitspraak beantwoordt weliswaar de vraag hoe de belangenafweging plaatsvindt bij openbaarmaking van besluitenlijsten, maar laat daarentegen andere (mijns inziens minstens zo belangrijke) vragen onbeantwoord. Zo is het mij niet duidelijk waarom nou precies het belang van openbaarmaking prevaleert boven de persoonlijke levenssfeer van appellant en waarin dan concreet dit belang van openbaarmaking is gelegen. Verder vraag ik mij af hoe deze uitspraak zich verhoudt tot de lijn die in praktijk wordt voorgeschreven door (onder meer) de Autoriteit Persoonsgegevens. Zo stelde de Autoriteit Persoonsgegevens zich recent in een brief aan de VNG nog op het standpunt dat “er niet snel sprake zal zijn van een wettelijke grondslag voor publicatie van persoonsgegevens op basis van de artikelen 23 en 60 Gemeentewet.” De Afdeling lijkt dus een andere benadering voor te staan. Toekomstige rechtspraak zal moeten uitwijzen welke weg de Afdeling ten aanzien van de actieve openbaarmaking van besluitenlijsten zal kiezen.

Heeft u vragen over de Wob (in relatie tot de Wbp)? Neem dan gerust contact op met Roos Molendijk, 024 – 381 31 86