De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Afdeling bestuursrechtspraak doet definitief uitspraak in nadeelcompensatiezaken Hollandse Brug

Afdeling bestuursrechtspraak doet definitief uitspraak in nadeelcompensatiezaken Hollandse Brug

Op 11 december 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een einduitspraak gedaan met betrekking tot het verzoek om nadeelcompensatie van een aantal transportondernemers die gehinderd werden door een plotselinge afsluiting van de Hollandse Brug voor vrachtverkeer.Uitspraken Hollandse Brug juni 2013In juni van dit jaar heeft de Afdeling in meerdere ‘Hollandse Brug uitspraken’, waarover ik eerder schreef, al belangrijke piketpalen geslagen met betrekking tot het normaal maatschappelijk risico...
Auteur artikel Hanna Zeilmaker
Gepubliceerd 24 december 2013
Laatst gewijzigd 16 april 2018
Leestijd 
Op 11 december 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een einduitspraak gedaan met betrekking tot het verzoek om nadeelcompensatie van een aantal transportondernemers die gehinderd werden door een plotselinge afsluiting van de Hollandse Brug voor vrachtverkeer.

Uitspraken Hollandse Brug juni 2013
In juni van dit jaar heeft de Afdeling in meerdere ‘Hollandse Brug uitspraken’, waarover ik eerder schreef, al belangrijke piketpalen geslagen met betrekking tot het normaal maatschappelijk risico bij nadeelcompensatie. De Afdeling bepaalde toen dat, wanneer het bestuur heeft vastgesteld dat er de schadeveroorzakende handeling van het bestuur niet als normale maatschappelijk ontwikkeling kan worden gekwalificeerd, er geen ruimte (meer) bestaat voor het toepassen van een ‘drempel’, om met behulp daarvan het normaal maatschappelijk risico vast te stellen.

Nieuw besluit Minister
De Afdeling had in haar uitspraak van juni 2013 aan de minister van I&M opgedragen om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van haar oordeel over het niet toelaten van de drempel. In zijn nieuwe beslissingen is de minister dan ook teruggekomen op zijn eerdere oordeel dat de transportondernemers in het geheel geen recht hadden op nadeelcompensatie. In totaal heeft de minister nu aan één transportondernemer een bedrag van € 427.869,- toegekend en aan een andere ondernemer € 60.306,-. Daarbij heeft de minister een korting van 25% op de schadebedragen gehanteerd omdat er, gedurende de afsluitingsperiode, sowieso al groot onderhoud aan de Hollandse Brug was gepland dat eveneens tot vertraging voor de transporteurs zou hebben geleid. Verder had de minister een aanvullende korting van 5 % toegepast omdat de transporteurs, door hun vestiging in Almere, het risico hadden aanvaard dat zij bij onderhoud van de Hollandse Brug hinder zouden ondervinden. In dit verband vond de minister van belang dat het ging om tijdelijke schade, dat de ondernemingen niet onbereikbaar waren geweest en dat zij, door de lange duur van de afsluiting, de gelegenheid hebben gehad om hun bedrijfsvoering aan te passen. Tot slot heeft de afsluiting volgens de minister ook voordeel gehad, omdat de Hollandse Brug tijdens de werkzaamheden is verbreed om een extra rijstrook in noordelijke richting mogelijk te maken.

Korting en branche
Één van de ondernemers bracht hiertegen in dat de minister met betrekking tot de korting van 25% ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de branche waarin de transporteur zich bevindt. Dat de minister dit wel had moeten doen zou volgen uit de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012 (Wouwse Tol), die ik eerder besprak.

De Afdeling oordeelt dat het niet juist is dat bij het toepassing van een korting rekening moet worden gehouden met de branche waarin een ondernemer zich bevindt. Het oordeel in de Wouwse Tol uitspraak over het differentiëren naar branche had betrekking op het toepassen van een drempel

Met betrekking tot de aanvullende korting van 5% slagen de betogen van de transporteurs wel. De Afdeling overweegt in zijn algemeenheid dat als een toekomstig voordeel op geld waardeerbaar is en in voldoende mate vaststaat dat het de vermogenspositie van de benadeelde zal beïnvloeden, dit voordeel bij de vaststelling van de schadevergoeding kan worden betrokken. Van belang is volgens de Afdeling daarbij wel dat het alleen in algemene zin veronderstellen van de mogelijkheid, dat er (tevens) voordeel voor de benadeelden is, niet volstaat om een korting wegens voordeelverrekening toe te passen. Bovendien heeft de minister volgens de Afdeling op geen enkele wijze gemotiveerd dat dit voordeel op 5% van de totale schade kan worden gesteld.

Anders dan wellicht verwacht zou mogen worden krijgt de minister niet meer de kans om de aanvullende korting alsnog te motiveren. De Afdeling doet de zaak nu zelf af en veroordeelt de minister om een aanvullend bedrag te betalen ter grote van de toegepaste aanvullende korting van 5%.

Lessen uit Wouwse Tol en Hollandse Brug
In de uitspraak Wouwse Tol bepaalde de Afdeling voor het eerst dat het hanteren van een ondergrens van 15% van de omzet op jaarbasis als maatstaf voor de bepaling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico in beginsel een aanvaardbare en bruikbare methode is, maar dat deze niet altijd redelijk uitwerkt en dus niet standaard kan worden gehanteerd. In die uitspraak werd duidelijk dat het verdienmodel van een onderneming mede bepalend kan zijn voor de mate waarin het toepassen van een zogenoemde ‘drempel’ redelijk is. Bij de toepassing van een drempel is dus o.a. van belang in welke branche een onderneming zich bevindt. Dat geldt volgens de hiervoor besproken uitspraak niet voor het toepassen van een korting. Dat lijkt ons terecht aangezien niet valt in te zien hoe het toepassen van een korting, anders dan het toepassen van een drempel, tot onbillijke verschillen tussen ondernemers in dezelfde situatie leidt.

Verder biedt de besproken uitspraak een interessante overweging met betrekking tot de toelaatbaarheid van het verrekenen van voordeel bij nadeelcompensatie. Indien het bestuur aannemelijk maakt dat er, naast nadeel, ook voordeel ontstaat voor de getroffen ondernemer en goed motiveert wat de omvang van dit voordeel is, dan kan dit voordeel worden verrekend met het te vergoeden nadeel. De toekomst zal moeten uitwijzen hoe de Afdeling in specifieke gevallen om zal gaan met voordeelsverrekening. Wordt dus vervolgd…

Heeft u vragen over nadeelcompensatie? Bel of e-mail met mr. Hanna Zeilmaker of Joske Hagelaars, specialisten op het gebied van nadeelcompensatie