De ontwikkelingen rond het coronavirus, COVID-19, gaan razendsnel. In ons kennisportal over het coronavirus vindt u onze juridische artikelen en andere relevante content. Bekijk het kennisportal

  1. Home
  2. Kennis
  3. Artikelen
  4. Afdeling past nieuwe jurisprudentielijn toe over artikel 10 lid 2 sub e Wob (bescherming persoonlijke levenssfeer)

Afdeling past nieuwe jurisprudentielijn toe over artikel 10 lid 2 sub e Wob (bescherming persoonlijke levenssfeer)

Onlangs publiceerde mijn college Jelmer Keur al een artikel over de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:321). In deze uitspraak overwoog de Afdeling dat namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, niet voor openbaarmaking in aanmerking komen. Alleen wanneer de indiener van het Wob-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt, kan openbaarmaking aan de orde zijn. In de uitspraak van 4 april jl. (ECLI:NL:RVS:2018:1117) die ik in dit artikel bespreek, past de Afdeling deze nieuwe, gepreciseerde lijn toe.
Leestijd 
Auteur artikel Roos Molendijk (uit dienst)
Gepubliceerd12 april 2018
Laatst gewijzigd16 april 2018
 

De voorgeschiedenis; feiten
In 2011 brak brand uit bij het bedrijf Chemie-Pack dat was gevestigd op een industrieterrein in Moerdijk. Biosciences e.a. zijn betrokken bij diverse juridische procedures die naar aanleiding van de brand zijn aangespannen. In dat kader hebben zij bij het college van B&W van Moerdijk (hierna: het college) Wob-verzoeken ingediend ter verkrijging van documenten die betrekking hebben op de bij het bedrijf van Chemie-Pack afgelegde inspectiebezoeken en op de aan dit bedrijf verleende revisie- en verandervergunning.

Het college heeft de Wob-verzoeken van Biosciences e.a. deels ingewilligd en de verstrekte documenten geanonimiseerd. De documenten zijn openbaar gemaakt onder weglating van de persoonsgegevens van de toezichthouders en medewerkers (artikel 10 lid 2 aanhef en onder e van de Wob) . Omdat deze weglating inhoudelijk niet afdoet aan de verstrekte informatie, weegt het belang bij eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer volgens het college zwaarder dan het belang bij openbaarmaking.


Hoger beroep bij de Afdeling
Na het doorlopen van de bezwaar- en beroepsprocedure, stellen zowel Biosciences e.a. als het college hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank. In dit artikel bespreek ik slechts (de argumenten van) het hoger beroep van het college.


Het college voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het slechts een beroep op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan doen in de situatie waarin specifieke veiligheidsrisico’s bestaan voor de betrokken medewerkers bij openbaarmaking van hun persoonsgegevens. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, betoogt het college dat zij terecht het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer heeft laten prevaleren boven het belang van openbaarmaking.


De Afdeling stelt voorop dat het college de documenten openbaar heeft gemaakt onder weglating van de namen van medewerkers die zijn vermeld als contactpersoon en behandelend medewerker. Verder heeft het college de namen van de gemeentelijke toezichthouders betrokken bij de inspecties en de namen van de verschillende betrokken toezichthouders en inspecteurs weggelaten. Naar het oordeel van de Afdeling treden deze medewerkers niet wegens hun functie in de openbaarheid. Het betoog van Biosciences e.a. dat de toezichthouders uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden, omdat de aard van de taken en verantwoordelijkheden van toezichthouders met zich brengt dat zij zich in de openbare ruimte presenteren en dat daarom hun persoonlijke levenssfeer niet in geding is, onderschrijft de Afdeling niet. Weliswaar moeten toezichthouders zich in de openbare ruimte begeven om hun toezichthoudende taken te kunnen verrichten, maar daarmee treden zij nog niet wegens hun functie in de openbaarheid. Het is dus te kort door de bocht om te oordelen dat hun persoonlijke levenssfeer niet in het geding is.

Het argument van Biosciences e.a. dat het toezicht op Chemie-Pack een publiek belang dient en dat de naam en de bevoegdheid van de toezichthouder openbaar moeten zijn om dit toezicht te verifiëren, slaagt volgens de Afdeling ook  niet. Naar het oordeel van de Afdeling hebben Biosciences e.a. niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de openbaarheid in dit concrete geval zwaarder dient te wegen dan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende medewerkers. Daarvoor is van belang dat het op basis van de openbaar gemaakte documenten al mogelijk is om te controleren hoe het toezicht op Chemie-Pack heeft plaatsgevonden.  Dit ook gelet op het feit dat de functieaanduidingen van de betreffende medewerkers wel openbaar zijn en aldus duidelijk is op welk moment een medewerker bij het toezicht op Chemie-Pack betrokken is geweest.


Nu het in dit geval gaat om de namen van medewerkers van verschillende bestuursorganen die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden en Biosciences e.a. niet aannemelijk hebben gemaakt dat het belang van de openbaarheid in dit geval zwaarder weegt dan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende medewerkers, mocht het college volgens de Afdeling de openbaarmaking van de namen van toezichthouders weigeren.


Conclusie
Deze uitspraak vormt een toepassing van de door de Afdeling uitgezette (en met de uitspraak van 31 januari 2018 gepreciseerde) lijn: namen van medewerkers van een bestuursorgaan die in een document voorkomen, kunnen in beginsel steeds worden weggelakt, indien deze medewerkers wegens hun functie niet in de openbaarheid treden.


Heeft u vragen over de Wet openbaarheid van bestuur? Neem dan gerust contact op met Roos Molendijk